Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:1902 ECLI:NL:CRVB:2025:1902 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:1902 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:1902
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Datum uitspraak: 19 december 2025 22/3479 WSF Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om schadevergoeding in het geding tussen: Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.G. Smouter, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 24 februari 2025 heeft mr. Smouter namens appellant het hoger beroep ingetrokken, onder handhaving van het verzoek om de minister te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade van appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2025:1902 · Centrale Raad van Beroep: De minister heeft het bezwaarschrift van appellant ontvangen op 30 november 2020. De minister is met een besluit van 24 december 2024 aan appellant tegemoetgekomen. Het hoger beroep is op 24 februari 2025 ingetrokken. De Raad heeft binnen een jaar na de intrekking van het hoger beroep uitspraak gedaan. Uitgaande van deze gegevens is in dit geval de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens met iets minder dan een maand overschreden. De zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook de opstelling van appellant geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009
05/1789 WAO 08/4026 WAO-S Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het verzoek om schadevergoeding van: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: betrokkene) met als partijen: betrokkene en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat) Datum uitspraak: 26 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2003, 03/3543, in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:
ECLI:NL:CRVB:2022:91
18 5288 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 11 januari 2022 Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2018, 18/1196 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N. Aydogdu hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:HR:2022:1128
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/00186 Datum 2 september 2022 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021, nr. 20/00441, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 19/682) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
ECLI:NL:CRVB:2015:3341
10/5114 MPW-S, 11/1172 MPW-S Datum uitspraak: 24 september 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Verzoeker] (verzoeker) de Staat der Nederlanden, Minister van Veiligheid en Justitie (Staat) en de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 augustus 2010, 09/2423 MPW. Bij uitspraak van 20 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:736) heeft de Raad op het hoger beroep beslist.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Datum uitspraak: 19 december 2025 22/3479 WSF Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om schadevergoeding in het geding tussen: Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.G. Smouter, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 24 februari 2025 heeft mr. Smouter namens appellant het hoger beroep ingetrokken, onder handhaving van het verzoek om de minister te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade van appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Op 16 april 2025 heeft hij tevens verzocht om vergoeding van de kosten voor de daarvoor verrichte proceshandeling. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN 1. De minister is volledig aan appellant tegemoetgekomen en heeft daarbij proceskosten, griffierecht en wettelijke rente vergoed. In deze uitspraak is alleen nog het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de orde. 2.1. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd.

De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 2.2.

Als de intrekking van een hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit, eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt. Ook uit andere omstandigheden kan worden afgeleid dat een bestuursorgaan aan een belanghebbende tegemoetkomt en de spanning en frustratie dus niet kan worden geacht nog door te lopen, in welk geval de redelijke termijn op dat moment eindigt.

3. In de gevallen vermeld onder 2.2 moet de Raad binnen een jaar na de intrekking van het hoger beroep uitspraak doen.

4. De minister heeft het bezwaarschrift van appellant ontvangen op 30 november 2020. De minister is met een besluit van 24 december 2024 aan appellant tegemoetgekomen. Het hoger beroep is op 24 februari 2025 ingetrokken. De Raad heeft binnen een jaar na de intrekking van het hoger beroep uitspraak gedaan. Uitgaande van deze gegevens is in dit geval de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens met iets minder dan een maand overschreden. De zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook de opstelling van appellant geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.

Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-. De termijnoverschrijding wordt in zijn geheel aan de Staat toegerekend. Tevens is er aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 453,50 (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een wegingsfactor van 0,5, met een waarde per punt van € 907,-). BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 453,50.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) P. Boer CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91. Vgl. Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128. Vgl. CRvB 24 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3341.