Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2024:815 ECLI:NL:CRVB:2024:815 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2024:815 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2024:815
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

22/2666 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 juli 2022, 21/3405 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college) Datum uitspraak: 23 april 2024 SAMENVATTING Het college heeft in 2016 en 2017 maandelijks op de bijstand van appellant en zijn partner (X) in mindering gebracht het pensioen dat X ontving. Hiervan heeft appellant in juni 2020 herziening gevraagd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:44 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2024:815 · Centrale Raad van Beroep: De discussie daarover is dan gesloten. Een bestuursorgaan kan er daarom voor kiezen om een verzoek om dat besluit te herzien zonder onderzoek af te wijzen, als bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Hij hoeft dan bij de afwijzing van het verzoek in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit. Het bestuursorgaan doet het verzoek op deze vereenvoudigde manier af met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. 4.3. Bij een vereenvoudigde afdoening overeenkomstig artikel 4:6, tweede lid, van de Awb beoordeelt de bestuursrechter het beroep of hoger beroep tegen het besluit tot afwijzing van een herzieningsverzoek als volgt.

Keywords

AI generated
artikel 8:44 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:44 van de Algemene wet bestuursrecht
Op 17 oktober 2023 is met toepassing van artikel 8:44 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een comparitie van partijen gehouden (comparitiezitting) voor het geven van inlichtingen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2016:4872
16/1880 PW-T Datum uitspraak: 20 december 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 februari 2016, 15/2788 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] , zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016.
ECLI:NL:CRVB:2016:5115
16/700 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 januari 2016, 15/2001 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 november 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
ECLI:NL:CRVB:2022:1106
20810 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 januari 2020, 19/1824 (aangevallen uitspraak) Partijen: het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 23 mei 2022 PROCESVERLOOP Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft drs. E. Groeneweg een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2022.
ECLI:NL:CRVB:2023:1363
20/3253 TW Datum uitspraak: 19 juli 2023 Centrale Raad van Beroep Grote kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 augustus 2020, 19/5230 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.
ECLI:NL:CRVB:2015:3940
14/2319 WWB Datum uitspraak: 10 november 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 maart 2014, 13/6462 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B. de Wijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.
ECLI:NL:CRVB:2013:2571
12/4268 WWB Datum uitspraak: 26 november 2013 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2012, 11/5200 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 15 oktober 2013.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

22/2666 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 juli 2022, 21/3405 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college) Datum uitspraak: 23 april 2024 SAMENVATTING Het college heeft in 2016 en 2017 maandelijks op de bijstand van appellant en zijn partner (X) in mindering gebracht het pensioen dat X ontving. Hiervan heeft appellant in juni 2020 herziening gevraagd.

Volgens appellant heeft het college destijds ten onrechte het brutobedrag aan pensioeninkomsten in mindering gebracht op de bijstand. Het college heeft het verzoek om herziening afgewezen. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de afwijzing evident onredelijk is. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. PROCESVERLOOP Appellant heeft het college verzocht om herziening van het in 2016 en 2017 maandelijks op de bijstand in mindering gebrachte pensioen van X. Met een besluit van 16 november 2020 heeft het college – voor zover nu nog van belang – het verzoek om herziening afgewezen.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit van 16 november 2020, maar het college heeft – voor zover nu nog van belang – met een besluit van 8 juli 2021 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. T. de Heer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend. De Raad heeft partijen in een brief van 24 juli 2023 laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet.

De Raad heeft aan partijen vragen gesteld, bij het college stukken opgevraagd en partijen bericht dat en waarom een comparitie van partijen zal worden gehouden. Het college heeft nadere stukken ingestuurd. Op 17 oktober 2023 is met toepassing van artikel 8:44 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een comparitie van partijen gehouden (comparitiezitting) voor het geven van inlichtingen. Appellant is daar verschenen, bijgestaan door mr. De Heer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Treurniet en S.S. Valk. Naar aanleiding van de comparitiezitting en zoals daar tussen partijen is afgesproken heeft mr.

De Heer nadere stukken ingestuurd. Hierop heeft het college gereageerd. Vervolgens heeft de Raad partijen met een brief van 13 december 2023 vragen gesteld. Partijen hebben hierop gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 12 maart 2024. Namens appellant is mr. De Heer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Bargach. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant en X hebben over de periode van 4 januari 2016 tot en met 30 juni 2017 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet ontvangen.

Op de bijstand werd in die gehele periode maandelijks het pensioen van X in mindering gebracht. 1.2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft op enig moment met terugwerkende kracht per 28 april 2016 een Ziektewetuitkering aan appellant toegekend. In verband daarmee heeft het college op verzoek van het Uwv op 29 augustus 2019 een verrekeningsopgave bij het Uwv ingediend van de bijstand die appellant heeft ontvangen over de periode van 28 april 2016 tot en met 30 juni 2017. Het Uwv heeft daarna op 8 september 2019 een bedrag van € 22.481,- aan het college uitbetaald. 1.3.

Op 18 juni 2020 heeft appellant een verzoek om herziening ingediend. Dat verzoek betreft enerzijds een verzoek om herziening van de verrekening van de uitkering van het Uwv met de betaalde bijstand en anderzijds een verzoek om herziening van het in 2016 en 2017 maandelijks op de bijstand in mindering gebrachte pensioen van X. 1.4. Het college heeft vervolgens de onder het procesverloop genoemde besluiten genomen. Het verzoek om herziening van de verrekening van de uitkering van het Uwv heeft geleid tot een nabetaling door het college aan appellant en X van € 2.184,95.

Aan de afwijzing van het verzoek om herziening van het op de bijstand in mindering gebrachte pensioen van X heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot herziening. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Gelet op wat ter zitting bij de Raad is besproken, is de herziening van de verrekening van de uitkering van het Uwv niet langer onderwerp van geschil. De Raad moet zich alleen nog uitlaten over het oordeel van de rechtbank over het verzoek om herziening van het in 2016 en 2017 maandelijks op de bijstand in mindering gebrachte pensioen van X.

Het gaat er daarbij om of het college dat verzoek terecht heeft afgewezen. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 4.1. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, staat in de bijlage bij deze uitspraak. Het toetsingskader 4.2. Als de termijn voor bezwaar, beroep of hoger beroep ongebruikt is verstreken of als het gebruik van die rechtsmiddelen niet heeft geleid tot herroeping of vernietiging van een besluit, dan staat dat besluit in rechte vast.

De discussie daarover is dan gesloten. Een bestuursorgaan kan er daarom voor kiezen om een verzoek om dat besluit te herzien zonder onderzoek af te wijzen, als bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Hij hoeft dan bij de afwijzing van het verzoek in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit. Het bestuursorgaan doet het verzoek op deze vereenvoudigde manier af met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. 4.3. Bij een vereenvoudigde afdoening overeenkomstig artikel 4:6, tweede lid, van de Awb beoordeelt de bestuursrechter het beroep of hoger beroep tegen het besluit tot afwijzing van een herzieningsverzoek als volgt.

Aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst de rechter of het college zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de afwijzing van het herzieningsverzoek die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat die afwijzing evident onredelijk is. Dit volgt uit vaste rechtspraak. 4.4. Het verzoek van appellant – voor zover nu nog van belang – is erop gericht dat het college het in 2016 en 2017 maandelijks op de bijstand in mindering gebrachte pensioen van X herziet.

Niet in geschil is dat appellant niet eerder een rechtsmiddel heeft aangewend tegen het maandelijks op de bijstand in mindering brengen van het pensioen. Het college heeft het herzieningsverzoek van appellant afgedaan met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Daarom wordt het bestreden besluit getoetst zoals hiervoor in 4.2 is beschreven. Beoordeling evidente onredelijkheid 4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die tot herziening van het op de bijstand in mindering brengen van het pensioen zouden moeten leiden.

Dat betekent dat moet worden beoordeeld of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Als een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is, kan dat worden betrokken bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbare onjuist is. 4.6. Appellant heeft aangevoerd dat het evident onredelijk is om het in 2016 en 2017 op de bijstand in mindering gebrachte pensioen niet te herzien.

Dat is het geval omdat het college destijds ten onrechte het brutobedrag dat X aan pensioen ontving in mindering heeft gebracht op de bijstand. Het college had het nettobedrag in mindering moeten brengen op de bijstand. Appellant heeft hierdoor financieel nadeel geleden want appellant heeft de inkomstenbelasting over de pensioeninkomsten moeten nabetalen aan de Belastingdienst. De bedragen die het college op de bijstand in mindering heeft gebracht zijn dus onmiskenbaar onjuist. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang. 4.7.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd bevestigd dat de bedragen die het college in mindering heeft gebracht, overeenkomen met de bedragen die X destijds daadwerkelijk heeft ontvangen. Appellant stelt echter dat de pensioenverstrekker ten onrechte loonheffingskorting heeft toegepast. Die mag maar één keer worden toegepast. De loonheffingskorting werd al toegepast bij de bijstand en mocht dus niet nog eens worden toegepast bij het pensioen. Dit heeft volgens appellant geleid tot een nabetaling van hem en X van inkomstenbelasting aan de Belastingdienst.

Echter, dat appellant een naheffing heeft ontvangen van de Belastingdienst, vindt geen steun in de stukken. In zoverre ontbreekt een feitelijke onderbouwing voor de stelling van appellant. Maar ook als de Belastingdienst op enig moment is overgegaan tot een naheffing omdat er ten onrechte twee keer loonheffingskorting is toegepast, laat dat onverlet dat appellant en X destijds over de maandelijks uitgekeerde pensioengelden konden beschikken om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. De enkele naheffing maakt het in mindering brengen op de bijstand van het in 2016 en 2017 ontvangen pensioen dus niet onmiskenbaar onjuist.

In zoverre – en ook overigens – is er geen grond voor het oordeel dat niet herziening van het op de bijstand in mindering gebrachte pensioen evident onredelijk is. 4.8. Uit 4.4 en 4.7 volgt dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is. Conclusie en gevolgen 4.9. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak – voor zover aangevochten – wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om herziening van het in 2016 en 2017 op de bijstand in mindering gebrachte pensioen van X in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2024. (getekend) P.W. van Straalen (getekend) S. Ploum Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel Artikel 4:6, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1363. Vgl. de uitspraken van 10 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3940, en van 26 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2571.