Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2024:768 ECLI:NL:CRVB:2024:768 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2024:768 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2024:768
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

21/3919 PW, 21/3920 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2021, 20/3224 en 20/3363 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het Drechtstedenbestuur (bestuur) Datum uitspraak: 23 april 2024 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op twee verzetten. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat voor doorbreking van het wettelijk appèlverbod. De Raad komt tot het oordeel dat daarvoor geen grond bestaat.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6 van het EVRM, artikel 8:54 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2024:768 · Centrale Raad van Beroep: Ondanks dat appellant uit een reeks uitspraken duidelijk moet zijn (geworden) dat hij geen aanspraak kan maken op ontheffing van de verplichting griffierecht te voldoen, blijft hij op dezelfde voet doorprocederen. Dat levert misbruik van recht op. Volgens de rechtbank is ook nu daarvan sprake. Ook het instellen van deze kansloze verzetten getuigt van misbruik van recht. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de aangevallen uitspraak niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4.1. De aangevallen uitspraak is een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6 van het EVRM artikel 8:54 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Met uitspraken van 16 en 21 oktober 2020 heeft de rechtbank de beroepen met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van griffierecht.
artikel 6 van het EVRM
Het recht op toegang tot de rechter mag immers worden beperkt en dat is niet in strijd met artikel 6 van het EVRM, mits de beperkingen niet in essentie het recht op toegang tot de rechter schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn.
artikel 8:54 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2022:105
21491 PW, 21/492 PW Datum uitspraak: 18 januari 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 november 2020, 20/570 en 20/1728 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het Drechtstedenbestuur (bestuur) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2021. Appellant is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Rombouts en J.W. van Marle.
ECLI:NL:RVS:2014:4135
201400648/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2013 in zaken nrs. 13/2157, 13/3989, 13/4152, 13/4319, 13/4374, 13/5429 en 13/5827 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop [appellant] heeft bij de rechtbank zeven beroepen ingesteld. Één beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan [appellant] opgelegde verkeersboete.
ECLI:NL:RVS:2022:3430
Het gaat om de uitspraken van de Afdeling van 3 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3430, 20 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4866, en 29 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3918.
ECLI:NL:RVS:2023:4866
202206806/2/A3. Datum uitspraak: 20 april 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 november 2022 in zaken nrs. 21/960, 22/945 en 22/1580 op de verzetten van [appellant]. Procesverloop [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2022, waarbij de door hem gedane verzetten tegen de uitspraken van de rechtbank van 10 maart 2022, 1 september 2022 en 15 september 2022 niet-ontvankelijk zijn verklaard.
ECLI:NL:RVS:2023:3918
202201357/3/A3.Datum uitspraak: 29 september 2023 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van: [opposant], wonend te Zwijndrecht,opposant, tegen de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 in zaak nr. 202201357/2/A3. Procesverloop Bij uitspraak van 6 juli 2022, in zaak nr. 202201357/2/A3, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep van [opposant] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, in zaak nr. 21/594, van 23 februari 2022 kennis te nemen. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht. Tegen deze uitspraak is [opposant] in verzet gegaan.Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2023:4063
Vergelijk in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4063 (rechtsoverweging 11.1).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

21/3919 PW, 21/3920 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2021, 20/3224 en 20/3363 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het Drechtstedenbestuur (bestuur) Datum uitspraak: 23 april 2024 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op twee verzetten. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat voor doorbreking van het wettelijk appèlverbod. De Raad komt tot het oordeel dat daarvoor geen grond bestaat.

Om die reden verklaart de Raad zich onbevoegd. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Op 24 november 2023 heeft appellant verzocht om wraking van de behandelend rechter. Met een uitspraak van 22 januari 2024 van de wrakingskamer (21/3919 PW-W, 21/3920 PWW) is beslist dat het verzoek om wraking niet in behandeling zal worden genomen. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2024. Appellant is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1.

Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft twee aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht in verband met klachtprocedures bij de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten. Met besluiten van 14 en 15 april 2020, na bezwaar gehandhaafd met besluiten van 9 en 10 juni 2020 (bestreden besluiten), heeft het bestuur die aanvragen afgewezen. Tegen de bestreden besluiten heeft appellant beroepen ingesteld. 1.2. Met uitspraken van 16 en 21 oktober 2020 heeft de rechtbank de beroepen met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van griffierecht.

Tegen beide uitspraken heeft appellant verzet ingediend. Aangevallen uitspraak 2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, zonder appellant op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb in de gelegenheid te hebben gesteld op een zitting te worden gehoord, de verzetten tegen de uitspraken van 16 en 21 oktober 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Aan de niet-ontvankelijkverklaring heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft gewezen op eerdere uitspraken in zaken van appellant. In die uitspraken staat – onder meer – het volgende vermeld.

Ondanks dat appellant uit een reeks uitspraken duidelijk moet zijn (geworden) dat hij geen aanspraak kan maken op ontheffing van de verplichting griffierecht te voldoen, blijft hij op dezelfde voet doorprocederen. Dat levert misbruik van recht op. Volgens de rechtbank is ook nu daarvan sprake. Ook het instellen van deze kansloze verzetten getuigt van misbruik van recht. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de aangevallen uitspraak niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4.1. De aangevallen uitspraak is een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb.

Hiertegen kan op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld. Voor doorbreking van dit zogenoemde appèlverbod kan volgens vaste rechtspraak grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. 4.2. In de onderhavige zaken heeft de rechtbank, zonder appellant voorafgaand in de gelegenheid te stellen op een zitting te worden gehoord, de verzetten niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.

In het geval van niet-ontvankelijkverklaring van een rechtsmiddel wegens misbruik van recht is er geen grond voor het oordeel dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Het recht op toegang tot de rechter mag immers worden beperkt en dat is niet in strijd met artikel 6 van het EVRM, mits de beperkingen niet in essentie het recht op toegang tot de rechter schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn.

Niet-ontvankelijkverklaring van een rechtsmiddel dat misbruik van recht inhoudt, voldoet aan die eisen. In een geval als het onderhavige kan daarom alleen grond bestaan voor doorbreking van het appèlverbod, indien het oordeel van de rechtbank dat sprake is van misbruik van recht onjuist is. 4.3. Appellant is ter zitting van de Raad gevraagd om een toelichting op zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij misbruik van recht heeft gemaakt. Appellant heeft hierop te kennen gegeven dat hij meent dat hij voldoet aan de criteria voor ontheffing van de verplichting om het griffierecht te betalen.

Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij aan de criteria voldoet, maar heeft niets anders aangevoerd dan hij hierover al eerder naar voren heeft gebracht in eerdere procedures. Wat appellant heeft aangevoerd, leidt daarom niet tot het oordeel dat de conclusie van de rechtbank, dat appellant ondanks dat hem uit een reeks uitspraken duidelijk moet zijn geworden dat hij geen aanspraak kan maken op ontheffing van de verplichting griffierecht te voldoen, op dezelfde voet blijft doorprocederen en hiermee misbruik van recht maakt, onjuist is. 4.4. Ter zitting heeft appellant nog gewezen op drie uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).

In die uitspraken, waarin telkens sprake was van een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op verzet(ten) zonder dat appellant op een zitting was gehoord, heeft de Afdeling geoordeeld dat er vanwege schending van het fundamentele recht op een eerlijk proces aanleiding bestaat voor doorbreking van het appèlverbod. Volgens appellant is in de onderhavige zaken sprake van dezelfde situatie als in de uitspraken van de Afdeling. De Raad volgt appellant niet in die stelling. In de genoemde uitspraken was namelijk iedere keer sprake van een situatie waarin de rechtbank het beroep of de beroepen met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege misbruik van recht, waarna de rechtbank het daartegen aangetekende verzet, zonder de betrokkene te horen, ook niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege misbruik van recht.

Hierdoor had de betrokkene geen kans gekregen om een beoordeling te krijgen of zijn beroep terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard wegens misbruik van recht. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. In de onderhavige zaken zijn de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant het griffierecht niet heeft voldaan. Daarmee stond in verzet dus niet ter beoordeling of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk had verklaard vanwege misbruik van recht. 4.5. Dat de naam van de rechter die de aangevallen uitspraak heeft gedaan niet vooraf aan appellant is medegedeeld, is ten slotte evenmin reden voor doorbreking van het appèlverbod.

Conclusie en gevolgen 4.6. Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is voor doorbreking van het appèlverbod. Dit betekent dat de Raad onbevoegd is.

5. Appellant krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van S.A.S. Timp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2024. (getekend) J.T.H. Zimmerman (getekend) S.A.S. Timp Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:105. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4135. Het gaat om de uitspraken van de Afdeling van 3 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3430, 20 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4866, en 29 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3918. Vergelijk in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4063 (rechtsoverweging 11.1).