Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2024:700 ECLI:NL:CRVB:2024:700 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2024:700 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2024:700
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

20/3102 PW-S, 21/938 PW-S, 21/3735 PW-S, 22/799 PW-S Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Datum uitspraak: 9 april 2024 SAMENVATTING In deze zaken gaat het om verzoeken om immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Die verzoeken worden deels toegewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2024:700 · Centrale Raad van Beroep: In het algemeen zal geen sprake zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Verder dient in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009
05/1789 WAO 08/4026 WAO-S Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het verzoek om schadevergoeding van: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: betrokkene) met als partijen: betrokkene en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat) Datum uitspraak: 26 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2003, 03/3543, in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:
ECLI:NL:CRVB:2021:1573
158367 WIA, 18/402 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 19 november 2015, 15/848 (aangevallen uitspraak 1) en van 11 januari 2018, 16/6668 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 23 juni 2021 PROCESVERLOOP (15/8367) Namens appellante heeft mr.
ECLI:NL:CRVB:2018:3657
met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder; met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden; een en ander met dien verstande dat: - de omvang van de vermindering in deze gevallen niet meer bedraagt dan € 2.500,- en; - geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een boete die minder beloopt dan € 1.000,-. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

20/3102 PW-S, 21/938 PW-S, 21/3735 PW-S, 22/799 PW-S Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Datum uitspraak: 9 april 2024 SAMENVATTING In deze zaken gaat het om verzoeken om immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Die verzoeken worden deels toegewezen.

PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2020 (19/5412), 9 februari 2021 (20/1235), 7 september 2021 (20/4159) en 14 maart 2022 (21/1178). Mr. N. Velthorst heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Hij heeft namens verzoekster gevraagd om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Om die reden heeft de Raad ook de Staat der Nederlanden (Staat) als partij aangemerkt. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 maart 2024. Namens verzoekster is mr. Velthorst verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari. Op de zitting hebben partijen een schikking bereikt over de hoger beroepen. OVERWEGINGEN Het standpunt van verzoekster 1. Verzoekster stelt dat de redelijke termijn in de hier voorliggende procedures is overschreden. Het oordeel van de Raad 2. De Raad beoordeelt of verzoekster in aanmerking komt voor schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad wijst de verzoeken in drie zaken toe. 2.1. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft verzoekster recht op een behandeling van haar zaken binnen een redelijke termijn. 2.2.1. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Dit is vaste rechtspraak. Doorgaans vangt de redelijke termijn aan op de dag van de ontvangst van het bezwaarschrift. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar.

In het algemeen zal geen sprake zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Verder dient in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.

Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is ook vaste rechtspraak. 2.2.2. In boetezaken vangt de redelijke termijn in beginsel aan als het voornemen tot boeteoplegging kenbaar wordt gemaakt.

De overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder leidt in beginsel tot een matiging van de boete met 5%. Zaak 20/3102 PW-S 2.3. In deze zaak betrof het een intrekking van bijstand met ingang van 5 juni 2019. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 11 juli 2019 tot de datum waarop partijen een schikking hebben bereikt, zijn vier jaar en bijna acht maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoekster zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen.

De redelijke termijn is dus met bijna acht maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Nu in de bestuurlijke fase geen sprake is geweest van een te lange behandelingsduur – de beslissing op bezwaar is genomen op 11 september 2019 – komt dat bedrag voor rekening van de Staat. Zaak 21/938 PW-S 2.4. In deze zaak betrof het de afwijzing van twee aanvragen om bijstand, waartegen verzoekster afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt. Die zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, zoals bedoeld in 2.3. Vanaf de ontvangst van het (oudste) bezwaarschrift door het college op 19 september 2019 tot de datum waarop partijen een schikking hebben bereikt, zijn vier jaar en ruim vijf maanden verstreken.

Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoekster zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim vijf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. Nu in de bestuurlijke fase geen sprake is geweest van een te lange behandelingsduur – de beslissing op de bezwaren is genomen op 17 januari 2020 – komt dat bedrag voor rekening van de Staat. Zaak 21/3735 PW-S 2.5. In deze zaak betrof het de oplegging van een boete.

Vanaf de datum van het kenbaar maken aan appellant van het voornemen tot boeteoplegging op 13 februari 2020 tot de datum waarop partijen een schikking hebben bereikt, is vier jaar en ruim een maand verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoekster zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Omdat de boete in de schikking is betrokken, is een matiging van de boete met 5% niet meer aan de orde. Niettemin ziet de Raad aanleiding om bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding hierbij aansluiting te zoeken.

Dit leidt in dit geval tot een schadevergoeding van € 47,-. Nu in de bestuurlijke fase geen sprake is geweest van een te lange behandelingsduur – de beslissing op de bezwaar is genomen op 18 juni 2020 – komt dat bedrag voor rekening van de Staat. Zaak 22/799 PW-S 2.6. In deze zaak betrof het onder meer de herziening en terugvordering van bijstand over een periode in het verleden. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 17 maart 2020 tot de datum waarop partijen een schikking hebben bereikt, zijn nog geen vier jaar verstreken.

De redelijke termijn is in deze procedure dus niet overschreden. Conclusie en gevolgen 2.7. Uit 2.3 tot en met 2.5 volgt dat de Staat moet worden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding aan verzoekster tot een bedrag van in totaal € 1.547,-.

3. Verzoekster krijgt een vergoeding van de proceskosten in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor van 0,5). BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van in totaal € 1.547,-; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 875,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2024. (getekend) E.J.M. Heijs (getekend) S. Ploum Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1573, rechtsoverweging 6.2. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3657.