Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2024:55 ECLI:NL:CRVB:2024:55 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2024:55 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2024:55
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

23/1235 WAO-W Datum beslissing: 9 januari 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 1 februari 2023 in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Tijdens het onderzoek ter zitting op 15 november 2023 heeft verzoeker verzocht om wraking van mr. H.G. Rottier, lid van de enkelvoudige kamer (behandelend rechter).

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2024:55 · Centrale Raad van Beroep: Uit de eerdere uitspraken in zaken van verzoeker blijkt dat de behandelend rechter niet bij drie maar (slechts) bij één van die uitspraken betrokken is geweest. In zoverre missen de stellingen van verzoeker dus feitelijke grondslag. Bovendien is het vaste rechtspraak van de Raad dat de enkele omstandigheid dat een rechter eerder heeft geoordeeld in een zaak van eenzelfde partij geen grond vormt voor twijfel aan zijn onpartijdigheid. 3.3. De stelling van verzoeker dat de behandelend rechter in de eerdere procedure door verzoeker ingebrachte stukken niet of onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken, leidt evenmin tot toewijzing van het wrakingsverzoek.

Keywords

AI generated
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2023:275
21 1060 WAO Datum uitspraak: 1 februari 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2021, 20/273 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C.P.R.M. Dekker, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2022.
ECLI:NL:HR:2010:BM9141
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:CRVB:2016:3275
14/3396 WWB-W, 14/3402 WWB-W, 15/422 WWB-W, 15/450 WWB-W, 15/453 WWB-W, 15/454 WWB-W, 15/2044 WWB-W, 15/2523 WWB-W, 15/3624 WWB-W, 15/4287 WWB-W Datum uitspraak: 5 september 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 2 mei 2014, nr. 13/1646 en nr. 13/2407, 9 december 2014, nr. 13/3450, 9 december 2014, nr. 13/3449, 9 december 2014, nr. 13/3212, 9 december 2014, nr. 13/3782, 9 december 2014, nr. 14/558, 2 maart 2015, nr. 14/2013 en 8 april 2015, nr. 14/3307, in gedingen tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college).
ECLI:NL:CRVB:2014:869
13/1450 BBZ-W, 13/1452 BBZ-W Datum uitspraak: 17 maart 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [verzoekster] en[verzoekster], beiden te[woonplaats] (verzoeksters) PROCESVERLOOP Namens verzoeksters heeft drs. H.J.M.L. van Santvoort herziening gevraagd van de uitspraak van de Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1552, in het geding tussen verzoeksters en het college van burgemeester en wethouders van Someren. Tijdens het onderzoek ter zitting op 4 februari 2014 heeft de gemachtigde van verzoeksters verzocht om wraking van de behandelend rechter O.L.H.W.I.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

23/1235 WAO-W Datum beslissing: 9 januari 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 1 februari 2023 in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Tijdens het onderzoek ter zitting op 15 november 2023 heeft verzoeker verzocht om wraking van mr. H.G. Rottier, lid van de enkelvoudige kamer (behandelend rechter).

Hierna is het onderzoek ter zitting geschorst. De behandelend rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Het verzoek is op 19 december 2023 ter zitting behandeld. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord. OVERWEGINGEN 1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de behandelend rechter drie keer eerder zijn zaak heeft behandeld en dat hij hierbij ten onrechte steeds bepaalde door hem ingebrachte stukken niet bij de beoordeling heeft betrokken.

3. De Raad komt tot het oordeel dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt. 3.1. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 3.2.

Uit de eerdere uitspraken in zaken van verzoeker blijkt dat de behandelend rechter niet bij drie maar (slechts) bij één van die uitspraken betrokken is geweest. In zoverre missen de stellingen van verzoeker dus feitelijke grondslag. Bovendien is het vaste rechtspraak van de Raad dat de enkele omstandigheid dat een rechter eerder heeft geoordeeld in een zaak van eenzelfde partij geen grond vormt voor twijfel aan zijn onpartijdigheid. 3.3. De stelling van verzoeker dat de behandelend rechter in de eerdere procedure door verzoeker ingebrachte stukken niet of onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken, leidt evenmin tot toewijzing van het wrakingsverzoek.

Het is aan de rechter die een zaak behandelt om te beslissen of en zo ja op welke wijze bepaalde stukken bij de beoordeling moeten worden betrokken. Het wrakingsmiddel is niet bedoeld om een dergelijke beslissing ter discussie te stellen. 3.4. Gelet op hetgeen verzoeker heeft aangevoerd acht de Raad het ook van belang om te benadrukken dat wanneer een behandelend rechter het bijzondere karakter van een herzieningsprocedure uiteenzet en betrokkene kritisch de vraag voorhoudt of sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan volgens de wet een herzieningsverzoek kan worden toegewezen, dit geen aanwijzing vormt voor vooringenomenheid.

Een dergelijke wijze van behandeling impliceert niet dat de behandelend rechter zijn oordeel al op voorhand heeft gevormd en maakt dan ook niet dat er sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat hij vooringenomen is. Uit het proces-verbaal is daarnaast gebleken dat verzoeker ruim de gelegenheid heeft gehad zijn standpunten over de gewenste herziening uiteen te zetten.

4. Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.

5. Het verzoek van verzoeker om toezending van het proces-verbaal van de wrakingszitting, bij voorkeur in de vorm van een woordelijk verslag, wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat verzoeker daar voldoende belang bij heeft.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af. Deze beslissing is gegeven door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.C.E. Marechal en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2024. De griffier De voorzitter (getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum Uitspraak van 1 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:275. Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141. Zie bijvoorbeeld de beslissing van 5 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3275. Zie bijvoorbeeld de beslissing van 17 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:869.