Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2024:54 ECLI:NL:CRVB:2024:54 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2024:54 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2024:54
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

23/1601 WAO-W Datum beslissing: 9 januari 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) PROCESVERLOOP Op 28 februari 2022 heeft de Raad het verzoek van verzoeker om herziening van de uitspraak van 16 oktober 2020 in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afgewezen. Met een brief van 8 mei 2023 heeft verzoeker opnieuw verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2020. Met een brief van 13 september 2023 heeft verzoeker aanvullende gronden en stukken ingediend en verzocht dat mr.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2024:54 · Centrale Raad van Beroep: Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd. De behandelend rechter heeft de zaken behandeld die tot de uitspraken van 16 oktober 2020 en 28 februari 2022 hebben geleid. Tijdens de behandeling van deze zaken heeft de behandelend rechter door verzoeker ingebracht bewijs onterecht buiten beschouwing gelaten en verzoeker het zwijgen opgelegd. Ook voelt verzoeker zich niet veilig bij de behandelend rechter.

Keywords

AI generated
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2020:2573
19788 WAO Datum uitspraak: 16 oktober 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2019, 18/837 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2020.
ECLI:NL:CRVB:2022:493
204337 WAO Datum uitspraak: 28 februari 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2020, 19/788 WAO en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft op 17 november 2020 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2020, 19/788 WAO (ECLI:NL:CRVB:2020:2573) en heeft verzocht om schadevergoeding.
ECLI:NL:HR:2010:BM9141
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:CRVB:2016:3275
14/3396 WWB-W, 14/3402 WWB-W, 15/422 WWB-W, 15/450 WWB-W, 15/453 WWB-W, 15/454 WWB-W, 15/2044 WWB-W, 15/2523 WWB-W, 15/3624 WWB-W, 15/4287 WWB-W Datum uitspraak: 5 september 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 2 mei 2014, nr. 13/1646 en nr. 13/2407, 9 december 2014, nr. 13/3450, 9 december 2014, nr. 13/3449, 9 december 2014, nr. 13/3212, 9 december 2014, nr. 13/3782, 9 december 2014, nr. 14/558, 2 maart 2015, nr. 14/2013 en 8 april 2015, nr. 14/3307, in gedingen tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college).
ECLI:NL:CRVB:2012:BW3667
Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2009, 08/4832, in het geding tussen verzoeker en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college). Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 27 maart 2012.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

23/1601 WAO-W Datum beslissing: 9 januari 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) PROCESVERLOOP Op 28 februari 2022 heeft de Raad het verzoek van verzoeker om herziening van de uitspraak van 16 oktober 2020 in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afgewezen. Met een brief van 8 mei 2023 heeft verzoeker opnieuw verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2020. Met een brief van 13 september 2023 heeft verzoeker aanvullende gronden en stukken ingediend en verzocht dat mr.

I.M.J. Hilhorst-Hagen (behandelend rechter) zich blijvend aan de zaak onttrekt. De Raad heeft verzoeker laten weten dat dit wordt opgevat als een wrakingsverzoek. De behandelend rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Het wrakingsverzoek is op 19 december 2023 ter zitting behandeld. Verzoeker is niet verschenen. De behandelend rechter heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord. OVERWEGINGEN 1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2. Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd. De behandelend rechter heeft de zaken behandeld die tot de uitspraken van 16 oktober 2020 en 28 februari 2022 hebben geleid. Tijdens de behandeling van deze zaken heeft de behandelend rechter door verzoeker ingebracht bewijs onterecht buiten beschouwing gelaten en verzoeker het zwijgen opgelegd. Ook voelt verzoeker zich niet veilig bij de behandelend rechter.

3. De Raad komt tot het oordeel dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt. 3.1. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 3.2.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de enkele omstandigheid dat een rechter eerder heeft geoordeeld in een zaak van eenzelfde partij geen grond vormt voor twijfel aan zijn of haar onpartijdigheid. Dat verzoeker het niet eens is met de manier waarop de behandelend rechter zijn eerdere zaken heeft behandeld, maakt dat op zichzelf niet anders. Het is aan de rechter die de zaak behandelt om te beslissen over de vraag of en, zo ja, op welke wijze bepaalde stukken bij de beoordeling worden betrokken. Ook is het aan de rechter die de zaak behandelt om het zittingsverloop, de voortgang van de zitting en de orde in de zittingszaal te bepalen. 3.3.

De stelling van verzoeker dat hij zich niet veilig voelt bij de behandelend rechter is niet toegelicht, zodat dit niet tot de conclusie kan leiden dat de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

4. Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af. Deze beslissing is gegeven door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.C.E. Marechal en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2024. De griffier De voorzitter (getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum Uitspraak van 16 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2573. Uitspraak van 28 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:493. Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141. Zie bijvoorbeeld de beslissing van 5 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3275. Zie bijvoorbeeld de beslissing van 19 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3667.