Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2024:235 ECLI:NL:CRVB:2024:235 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2024:235 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2024:235
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

22/3232 ZVW Datum uitspraak: 1 februari 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de verzoeken om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 juni 2022, 21/3138 ZVW, 21/3268 ZVW, 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW, 21/3142 ZVW, 21/3141 ZVW Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) CAK (CAK) Samenvatting Verzoeker stelt dat de Raad zijn uitspraak van 2 juni 2022 moet herzien, omdat volgens hem het oordeel van de Raad in strijd is met het recht van de Europese Unie. De Raad verklaart enkele herzieningsverzoeken niet-ontvankelijk omdat ze te laat zijn ingediend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:119 van de Awb, artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2024:235 · Centrale Raad van Beroep: Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.3. Van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek.

Keywords

AI generated
artikel 8:119 van de Awb artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:119 van de Awb
Het verzoek om herziening dat wel tijdig is ingediend wordt afgewezen omdat wat verzoeker heeft aangevoerd geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn in de zin van artikel 8:119 van de Awb.
artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2022:1259
21/3138 ZVW, 21/3268 ZVW, 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW, 21/3142 ZVW en 21/3141 ZVW Datum uitspraak: 2 juni 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 augustus 2021, 20/7655, 20/5293 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op de verzoeken om herziening van de uitspraken van de Raad van 13 december 2011, 09/2013 ZFW e.v., 23 mei 2014, 13/3669 ZVW, 6 januari 2017, 14/4374 ZVW, 21 februari 2019, 16/3272 ZVW en 12 oktober 2020, 19/4063 ZVW Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant en verzoeker, verder te noemen [appellant]) CAK (CAK) PROCESVERLOOP [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 augustus 2021 (procedurenummers bij de Raad 21/3138 ZVW en 21/3268 ZVW) en tegelijkertijd verzocht om herziening van de uitspraken van de Raad van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7137, van 23 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1858, van 6 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:67, van 21 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:584 en van 12 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2447 (procedurenummers bij de Raad respectievelijk 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW, 21/3142 ZVW en 21/3141 ZVW).
ECLI:NL:CRVB:2015:1055
13/1933 WAO Datum uitspraak: 20 maart 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2012, 11/633 WAO Partijen: [Verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij een op 10 april 2013 door de Raad ontvangen brief verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2012, 11/633 WAO, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0190. Het Uwv heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.
ECLI:NL:CRVB:2017:4060
167448 WAO Datum uitspraak: 21 november 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 maart 2015, 14/2638 WAO-V Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] Marokko (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij brief van 25 oktober 2016 voor een tweede maal gevraagd om herziening van de door de Raad op 24 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1233) gegeven uitspraak. Het Uwv heeft op dit verzoek geen reactie gegeven.
ECLI:NL:CRVB:2014:1360
11/3557 WAO Datum uitspraak: 23 april 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 mei 2011, 09/4306 WAO Partijen: [verzoeker] te[woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 mei 2011, 09/4306 WAO. Het Uwv heeft een reactie op het herzieningsverzoek ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

22/3232 ZVW Datum uitspraak: 1 februari 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de verzoeken om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 juni 2022, 21/3138 ZVW, 21/3268 ZVW, 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW, 21/3142 ZVW, 21/3141 ZVW Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) CAK (CAK) Samenvatting Verzoeker stelt dat de Raad zijn uitspraak van 2 juni 2022 moet herzien, omdat volgens hem het oordeel van de Raad in strijd is met het recht van de Europese Unie. De Raad verklaart enkele herzieningsverzoeken niet-ontvankelijk omdat ze te laat zijn ingediend.

Het verzoek om herziening dat wel tijdig is ingediend wordt afgewezen omdat wat verzoeker heeft aangevoerd geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn in de zin van artikel 8:119 van de Awb. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft op 9 augustus 2022 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 juni 2022. Het CAK heeft op het verzoek om herziening een reactie ingezonden. Verzoeker heeft nadere stukken aan de Raad toegestuurd. Het verzoek is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 21 december 2023. Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad waarvan herziening is verzocht 1.1.

In de uitspraak van 2 juni 2022 heeft de Raad de verzoeken om herziening in de zaken 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW en 21/3142 ZVW niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe is overwogen dat bij deze verzoeken geen nieuwe feiten en omstandigheden (nova) zijn gesteld en dat de herzieningsverzoeken met betrekking tot de uitspraken van de Raad van 13 december 2011, 23 mei 2014, 6 januari 2017 en 12 februari 2019 onredelijk laat zijn ingediend omdat zij meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking zijn ingediend. 1.2. In de uitspraak van 2 juni 2022 heeft de Raad het verzoek om herziening in de zaak 21/3141 ZVW met betrekking tot de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2020 afgewezen, omdat verzoeker bij zijn verzoek om herziening geen feiten of omstandigheden heeft genoemd als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb. 1.3.

In de uitspraak van 2 juni 2022 heeft de Raad in de zaken 21/3138 ZVW en 21/3268 ZVW de uitspraak van de rechtbank van 13 augustus 2021 bevestigd. Het standpunt van verzoeker 2.1. Verzoeker heeft zijn standpunten die hij ook in eerdere procedures naar voren heeft gebracht, herhaald. Hij heeft aan zijn verzoek om herziening in essentie ten gronde gelegd dat de uitspraken van de Raad waarvan herziening is gevraagd onverenigbaar zijn met het Europese recht. Hij is ten onrechte als verdragsgerechtigde aangemerkt en het CAK heeft daarom geen buitenlandbijdragen mogen heffen dan wel (laten) inhouden op zijn pensioen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling De verzoeken om herziening 3.1. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld kan alleen van een oorspronkelijke uitspraak om herziening worden verzocht en niet van een herzieningsuitspraak. Het voorliggende verzoek om herziening in de zaken 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW, 21/3142 ZVW en 21/3141 ZVW van de uitspraak van 2 juni 2022 moet dan ook worden opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraken van 13 december 2011, 23 mei 2014, 6 januari 2017, 12 februari 2019 en 12 oktober 2020. 3.2.

Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.3. Van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek.

Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht (zie de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015 en van 21 november 2017). 3.4. De hiervoor in 3.3 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete.

Een dergelijk verzoek is niet aan de in 3.3 vermelde termijn van één jaar gebonden. 3.5. De zaken waarvan verzoeker herziening heeft verzocht hebben geen betrekking op een uitspraak over een bestuurlijke boete. Vastgesteld wordt dat bij de herzieningsverzoeken geen nova zijn gesteld en dat de herzieningsverzoeken die betrekking hebben op de (oorspronkelijke) uitspraken van de Raad van 13 december 2011, 23 mei 2014, 6 januari 2017, 12 februari 2019 en 12 oktober 2020 meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking zijn ingediend. Daarom moet worden geoordeeld dat de verzoeken om herziening van die uitspraken onredelijk laat zijn ingediend. 3.6.

Deze herzieningsverzoeken worden dan ook niet-ontvankelijk verklaard. 3.7. Het verzoek om herziening van de uitspraak in de zaken 21/3138 ZVW en 21/3268 ZVW is wel binnen een jaar na de datum van openbaarmaking van de oorspronkelijke uitspraak van 2 juni 2022 ingediend en dus ontvankelijk. 3.8. Volgens vaste rechtspraak dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen.

Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. 3.9. Verzoeker heeft bij het verzoek om herziening geen feiten of omstandigheden genoemd die vóór de uitspraak niet bij hem bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Hij beoogt in feite een hernieuwde discussie over de uitspraak van de Raad van 2 juni 2022. Uit wat in 3.9 is overwogen volgt dat het middel van herziening daar niet toe kan strekken. 3.10. Uit het voorgaande volgt dat dit verzoek om herziening moet worden afgewezen.

BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening in de zaken 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW, 21/3142 ZVW en 21/3141 ZVW niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om herziening in de zaken 21/3138 ZVW en 21/3268 ZVW af. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2024. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) R.R. Olde Engberink ECLI:NL:CRVB:2022:1259. Procedurenummers bij de Raad 21/3138 ZVW, 21/3268 ZVW, 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW, 21/3142 ZVW en 21/3141 ZVW.

ECLI:NL:CRVB:2015:1055 en ECLI:NL:CRVB:2017:4060. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1360.