Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2024:2121 ECLI:NL:CRVB:2024:2121 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2024:2121 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2024:2121
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

24/809 WIA Datum uitspraak: 13 november 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 februari 2024, 23/2031 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank het verzoek van appellante om vergoeding van immateriële schade, voor zover gerelateerd aan het onrechtmatig bestreden besluit, terecht heeft afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht, Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek; ECLI:NL:CRVB:2024:2121 · Centrale Raad van Beroep: Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geschaad in haar eer of goede naam of dat zich anderszins een situatie voordoet zoals in dat artikellid omschreven. Daarom komt de schade die appellante stelt te lijden niet voor vergoeding in aanmerking. Voor zover appellante haar verzoek om schadevergoeding relateert aan feitelijke handelingen van het Uwv die geen betrekking hebben op het bestreden besluit, is de rechtbank gelet op artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet bevoegd om van de schadeclaim kennis te nemen.

Keywords

AI generated
Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht
Reith Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht 1.
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek
een onrechtmatig besluit; […] Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: […] b.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2018:1466
154104 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2015, 14/4273 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 16 mei 2018 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.K.A. Kop, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft appellant te kennen gegeven dat mr. Kop niet meer optreedt als zijn gemachtigde.
ECLI:NL:CRVB:2022:961
19 4600 WIA, 21/4576 WIA Datum uitspraak: 28 april 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 september 2019, 19/1366 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om schadevergoeding Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.N. van der Ham, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 16 februari 2021 zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.
ECLI:NL:HR:2019:376
15 maart 2019 Eerste Kamer 17/04668 TT/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser] ,verblijvende in de PI De Schie te Rotterdam, EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),zetelende te Den Haag, VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. G.C. Nieuwland. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.
ECLI:NL:HR:2019:1278
Het beheer van de maatschap wordt opgedragen aan een College van Beheer, bestaande uit twee door [EBN] en twee door [NAM] benoemde leden.
ECLI:NL:CRVB:2014:3348
11/4152 WWB Datum uitspraak: 14 oktober 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2011, 11/461 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Dorgelo, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

24/809 WIA Datum uitspraak: 13 november 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 februari 2024, 23/2031 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank het verzoek van appellante om vergoeding van immateriële schade, voor zover gerelateerd aan het onrechtmatig bestreden besluit, terecht heeft afgewezen.

Volgens appellante heeft zij recht op een schadevergoeding van € 25.000,-, omdat de besluitvorming van het Uwv haar alleen maar zieker heeft gemaakt en daarnaast problemen heeft veroorzaakt bij het verkrijgen van een sociale huurwoning. De Raad volgt dit standpunt niet en onderschrijft het oordeel van de rechtbank. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 oktober 2024. Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.

De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Inleiding 2. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 2.1. Appellante heeft voor het laatst gewerkt als commercial assistent event organizer voor gemiddeld 39,83 uur per week. Op 12 maart 2019 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten, vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving.

Het Uwv heeft aan appellante met ingang van 9 maart 2021 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Met ingang van 26 april 2021 is deze uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA, op basis van dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid. Vanaf 25 augustus 2021 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 72,94% en daarbij vermeld dat haar WGA-loonaanvullingsuitkering tot 1 september 2023 niet wijzigt. 2.2.

Bij besluit van 31 mei 2023 heeft het Uwv de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante per 1 september 2023 beëindigd en haar met ingang van diezelfde datum een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet WIA toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. 2.3. Bij beslissing op bezwaar van 19 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard, omdat het besluit van 31 mei 2023 niet is gebaseerd op een actueel medisch en/of arbeidsdeskundig onderzoek. Het Uwv heeft echter geen aanleiding gezien om een andere beslissing over de WGA-vervolguitkering van appellante te nemen.

De reden daarvoor is dat appellante niet is verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts van het Uwv, waardoor het niet mogelijk was om een herbeoordeling uit voeren. 2.4. Bij besluit van 13 mei 2024 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 1 september 2023 vastgesteld op 80-100% en appellante alsnog in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen en bepaald dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht moet vergoeden.

Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. Immers, niet is onderzocht of de belemmeringen die appellante stelt te hebben om naar een fysiek spreekuur te komen, worden veroorzaakt door haar beperkingen. Evenmin is nagegaan of er alternatieve mogelijkheden waren om appellante te onderzoeken, bijvoorbeeld digitaal of telefonisch, dan wel om haar belastbaarheid vast te stellen op basis van de informatie in het dossier, nadat nadere informatie bij de behandeld sector zou zijn opgevraagd.

Het verzoek van appellante om vergoeding van immateriële schade van € 25.000,- heeft de rechtbank afgewezen, voor zover dit gerelateerd is aan het bestreden besluit. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante dit verzoek niet met medische gegevens heeft onderbouwd. Zij heeft daardoor niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit sprake is geweest van geestelijk letsel, waaraan zij aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan ontlenen. Daarvoor is onvoldoende dat – zoals in dit geval – sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig bestreden besluit.

Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geschaad in haar eer of goede naam of dat zich anderszins een situatie voordoet zoals in dat artikellid omschreven. Daarom komt de schade die appellante stelt te lijden niet voor vergoeding in aanmerking. Voor zover appellante haar verzoek om schadevergoeding relateert aan feitelijke handelingen van het Uwv die geen betrekking hebben op het bestreden besluit, is de rechtbank gelet op artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet bevoegd om van de schadeclaim kennis te nemen.

Het standpunt van appellante 4.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarmee haar verzoek schadevergoeding is afgewezen. Zij heeft daartegen aangevoerd dat zij zelf geen arts is en dat zij haar verzoek dus niet met medische gegevens kan onderbouwen. Met haar eigen verklaringen heeft zij echter voldoende aannemelijk gemaakt dat de besluitvorming van het Uwv heeft geleid tot onnodig extra geestelijk letsel en tot het abrupt moeten beëindigen van de voor haar hoognodige GGZ-hulp die pas net was begonnen in maart/april 2023.

Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat de besluitvorming van het Uwv ook heeft geleid tot problemen bij het verkrijgen van een sociale huurwoning. Omdat zij per 1 september 2023 slechts een WIA-uitkering van € 900,- per maand ontving, kwam zij niet in aanmerking voor een dergelijke woning. Vervolgens heeft de nieuwe beslissing op bezwaar geleid tot een nabetaling van € 11.887,14 netto, waardoor haar jaarinkomen op papier in 2023 te laag en in 2024 veel te hoog is. Dit heeft grote gevolgen voor de categorie sociale huurwoningen waarop zij kan reageren.

Het standpunt van het Uwv 4.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank het verzoek van appellante om vergoeding van immateriële schade, voor zover gerelateerd aan het bestreden besluit, terecht heeft afgewezen aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 5.2. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

In deze procedure staat de onrechtmatigheid van het bestreden besluit tussen partijen vast. 5.3. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. 5.4.

Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. 5.5. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad wordt overwogen dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.

Degene die zich beroept op geestelijk letsel, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit. 5.6. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanig ernstig psychisch leed dat sprake is van geestelijk letsel en dus van aantasting van de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, eerste lid, van het BW.

Een medisch objectiveerbare onderbouwing voor haar standpunt, van bijvoorbeeld haar behandelaars, ontbreekt. Een dergelijke onderbouwing is wel noodzakelijk voor het kunnen vaststellen van het door haar gestelde geestelijk letsel. Dat het besluit van het Uwv van 31 mei 2023 en de daaropvolgende procedures een negatieve weerslag heeft gehad op het leven van appellante, is op zichzelf onvoldoende om in aanmerking te komen voor vergoeding van immateriële schade. 5.7. Vervolgens zal worden bezien of ondanks het ontbreken van geestelijk letsel toch sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW.

De aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde kunnen meebrengen dat daarvan sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. De aard en de ernst van de normschending kunnen meebrengen dat de in dat verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. 5.8. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan hebben geleid tot aantasting in de persoon op andere wijze.

Wat betreft de aard en de ernst van de normschending is van belang dat het besluit van het Uwv van 31 mei 2023 een eerder in augustus 2021 aangekondigde wettelijk voorgeschreven omzetting van een WGA-loonaanvullingsuitkering naar een WGAvervolguitkering betrof. Het Uwv heeft hierbij het in augustus 2021 vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage gehanteerd, zonder een medische en arbeidskundige herbeoordeling te verrichten, wat de reden is geweest voor de vernietiging van het bestreden besluit waarbij de omzetting was gehandhaafd. Het gevolg van deze besluitvorming, gelet op de nieuwe beslissing op bezwaar van 13 mei 2024, is dat appellante achteraf bezien over een periode van ongeveer negen maanden ten onrechte een WGA-vervolguitkering heeft ontvangen in plaats van een hogere WGA-loonaanvullingsuitkering en dat zij in mei 2024 is geconfronteerd met een nabetaling.

Appellante heeft niet met concrete gegevens, bijvoorbeeld van woningcorporaties, onderbouwd dat zij als gevolg van het bestreden besluit problemen heeft ondervonden bij het verkrijgen van een sociale huurwoning, en dat dit heeft geleid tot aantasting van de persoon. Alleen haar eigen verklaring hierover is onvoldoende om in aanmerking te komen voor een vergoeding van immateriële schade. Conclusie en gevolgen 6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding, voor zover gerelateerd aan het bestreden besluit, terecht heeft afgewezen.

7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor eventueel door haar gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M. Reith als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2024. (getekend) T. Dompeling (getekend) M. Reith Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht 1.

De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van: a. een onrechtmatig besluit; […] Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: […] b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast; […] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:961. Zij bijvoorbeeld de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3348. Zie bijvoorbeeld de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.