Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2024:201 ECLI:NL:CRVB:2024:201 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2024:201 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2024:201
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

22/3717 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2022, 22/2570 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant) [Bewindvoerder] (bewindvoerder) als wettelijk vertegenwoordiger van [Betrokkene] (betrokkene) Datum uitspraak: 23 januari 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtbank terecht het college heeft veroordeeld tot vergoeding van schade in verband met de kosten die de bewindvoerder van betrokkene voor het voeren van de procedure in beroep heeft gemaakt.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2024:201 · Centrale Raad van Beroep: Die kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat de bewindvoerder geen derde is in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor een aanvullende vergoeding van de proceskosten in de vorm van een schadevergoeding is volgens het college geen plaats. 3.2. In verweer heeft de bewindvoerder aangevoerd dat de rechtbank terecht een schadevergoeding heeft toegekend, omdat het college veel fouten heeft gemaakt en betrokkene daar de dupe van is geworden. Hij heeft als gevolg daarvan procedures moeten voeren en daarvoor kosten moeten maken.

Keywords

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
Deze kosten zijn aan te merken als proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2023:1953
21/4436 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2021, 20/5807 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college) Datum uitspraak: 10 oktober 2023 PROCESVERLOOP Met een besluit van 28 april 2020 (besluit 1) heeft het college de aanvraag van appellante om algemene bijstand op grond van de Participatiewet (PW) afgewezen. Met drie aparte besluiten van 4 mei 2020 (besluit 2 tot en met 4) heeft het college de aanvragen van appellante om bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van bewindvoering en mentorschap en waskosten afgewezen.
ECLI:NL:CRVB:2020:1638
193272 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 juni 2019, 19/771 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 28 juli 2020 PROCESVERLOOP Het college heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft haar bewindvoerder, [naam] (B), een verweerschrift, nadere stukken en desgevraagd een zienswijze ingediend. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
ECLI:NL:CRVB:2018:1958
17425 ZW Datum uitspraak: 28 juni 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 januari 2017, 16/1939 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018. Namens appellant is mr.
ECLI:NL:CRVB:2018:3453
17/348 WW en 17/349 WW Datum uitspraak: 31 oktober 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2016, 16/1837 (aangevallen uitspraak 1) en 16/2552 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellante heeft tegen beide aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 10 oktober 2018.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

22/3717 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2022, 22/2570 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant) [Bewindvoerder] (bewindvoerder) als wettelijk vertegenwoordiger van [Betrokkene] (betrokkene) Datum uitspraak: 23 januari 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtbank terecht het college heeft veroordeeld tot vergoeding van schade in verband met de kosten die de bewindvoerder van betrokkene voor het voeren van de procedure in beroep heeft gemaakt.

De Raad is met het college van oordeel dat de wet geen ruimte biedt voor vergoeding van proceskosten van een bewindvoerder in de vorm van een schadevergoeding. PROCESVERLOOP Het college heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft haar bewindvoerder een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 december 2023. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Duinhouwer. Ook de bewindvoerder is verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1.

Op 27 oktober 2021 heeft de bewindvoerder van betrokkene het college verzocht om kwijtschelding van een openstaande schuld. Met een besluit van 30 november 2021 heeft het college dit verzoek afgewezen. Met een besluit van 29 april 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene daartegen gedeeltelijk gegrond verklaard en een bedrag van € 193,21 kwijtgescholden. In beroep heeft het college alsnog aanleiding gezien om met een besluit van 26 juli 2022 (nader besluit) de nog openstaande schuld van betrokkene van € 1.895,48 volledig kwijt te schelden.

Uitspraak van de rechtbank 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 30 november 2021 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank heeft verder het college veroordeeld tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.518,-, bestaande uit de kosten die de bewindvoerder in verband met de procedure heeft moeten maken. Daaraan heeft de rechtbank, kortgezegd, ten grondslag gelegd dat de uiteindelijke kwijtschelding het resultaat is van de inzet van de bewindvoerder en dat het college heeft erkend onzorgvuldig te hebben gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze bijzondere omstandigheden, moet worden aangenomen dat de kosten die betrokkene in verband met de behandeling in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken het gevolg zijn van het onzorgvuldig handelen van het college en het daarom niet redelijk is om de door betrokkene gemaakte kosten in het geheel niet te vergoeden. De standpunten van partijen 3.1. Het college heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld voor zover het de toegekende schadevergoeding betreft. De vergoeding van de uren die de bewindvoerder aan de procedure heeft besteed zijn volgens het college proceskosten.

Die kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat de bewindvoerder geen derde is in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor een aanvullende vergoeding van de proceskosten in de vorm van een schadevergoeding is volgens het college geen plaats. 3.2. In verweer heeft de bewindvoerder aangevoerd dat de rechtbank terecht een schadevergoeding heeft toegekend, omdat het college veel fouten heeft gemaakt en betrokkene daar de dupe van is geworden. Hij heeft als gevolg daarvan procedures moeten voeren en daarvoor kosten moeten maken.

Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het college heeft veroordeeld tot vergoeding van schade. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van het college slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Het gaat in deze zaak om de vergoeding van door de bewindvoerder in verband met de procedure gemaakte kosten. Deze kosten zijn aan te merken als proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Uit artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb volgt dat een veroordeling in die kosten uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. 4.2. De Raad heeft al vaker overwogen dat een bewindvoerder niet kan worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. De gevorderde kosten kunnen dus niet op grond van het Bpb worden vergoed. 4.3. Het is verder vaste rechtspraak dat vergoeding van proceskosten niet alsnog via een afzonderlijke schadeprocedure kan worden geclaimd.

Dat kan niet omdat de wetgever in de Awb en het Bpb een exclusieve regeling heeft getroffen voor vergoeding van bezwaarkosten met een limitatief en forfaitair karakter. Dit betekent dat de rechtbank het college ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding van schade. 4.4. Betrokkene heeft ter zitting aangevoerd dat de omstandigheid dat een bewindvoerder niet kan worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent discriminatoir is. De wet zou de mogelijkheid moeten bevatten om in bepaalde bijzondere situaties van die regel af te wijken.

De Raad gaat hieraan voorbij omdat dit te laat is aangevoerd en de beginselen van een goede procesorde zich verzetten tegen de beoordeling daarvan. Conclusie en gevolgen 4.5. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van het college slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom vernietigen voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld tot vergoeding van schade en wijst het verzoek om het college te veroordelen tot het vergoeden van schade af.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat ook geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij het college heeft veroordeeld tot vergoeding van schade; wijst het verzoek het college te veroordelen tot het vergoeden van schade af. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van S.A.S. Timp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2024. (getekend) P.W. van Straalen (getekend) S.A.S. Timp Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Besluit proceskosten bestuursrecht Artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitspraken van 10 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1953 en van 28 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1638. Uitspraken van 28 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1958 en van 31 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3453.