Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:678 ECLI:NL:CRVB:2023:678 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:678 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:678
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 24 juni 2020 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 december 2019 gehandhaafd en de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA van appellante vastgesteld op 69,54%. De arbeidsongeschiktheidsklasse is ongewijzigd 35 tot 80% gebleven.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:678 · Centrale Raad van Beroep: 221288 WIA-PV Datum uitspraak: 5 april 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2022, 20/5202 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Zitting heeft: M. Schoneveld Griffier: S. Pouw Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2023. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal. Appellante is niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

221288 WIA-PV Datum uitspraak: 5 april 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2022, 20/5202 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Zitting heeft: M. Schoneveld Griffier: S. Pouw Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2023. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal. Appellante is niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 24 juni 2020 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 december 2019 gehandhaafd en de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA van appellante vastgesteld op 69,54%. De arbeidsongeschiktheidsklasse is ongewijzigd 35 tot 80% gebleven.

2. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. 2.1. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundigonderzoek of de juistheid van het medisch oordeel. Appellante heeft (ook) in hoger beroep haar standpunt, dat het Uwv haar medische beperkingen heeft onderschat, niet met (objectief) medische gegevens onderbouwd. 2.2. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat, uitgaande van de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 oktober 2019, de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

In hoger beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij rapport van 29 september 2022 nogmaals toegelicht dat in deze functies de belastbaarheid van appellante met betrekking tot item 1.1 (vasthouden van de aandacht) van de FML niet wordt overschreden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toereikend gemotiveerd dat in de geselecteerde functies geen sprake is van het langer dan een half uur onafgebroken de aandacht richten op één informatiebron.

3. Uit wat onder 2 tot en met 2.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend.) S. Pouw (getekend.) M. Schoneveld