Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:387 ECLI:NL:CRVB:2023:387 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:387 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:387
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

In het kader vaan een reorganisatie bij de politie is appellante bij besluit van 10 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 maart 2017, per 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en per die datum geplaatst in de functie van [functie 1] , bij de Districtsrecherche, District [district] , eenheid [eenheid] . De rechtbank Den Haag heeft op 8 november 2017 het beroep tegen het besluit van 29 maart 2017 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld. Hiermee staat het besluit van 10 juni 2016 in rechte vast.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4:6 van de Awb, artikel 4:6 Awb; ECLI:NL:CRVB:2023:387 · Centrale Raad van Beroep: Met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb toetst de bestuursrechter in een zaak als deze aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Keywords

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 4:6 van de Awb artikel 4:6 Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
Volgens de korpschef heeft appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar voren gebracht.
artikel 4:6 van de Awb
artikel 4:6 Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2017:12894
Al-Zubaidi Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep ECLI:NL:RBDHA:2017:12894.
ECLI:NL:RBDHA:2021:2926
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/330 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2021 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CRVB:2016:5115
16/700 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 januari 2016, 15/2001 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 november 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
ECLI:NL:CRVB:2019:1557
174478 WW, 17/4479 WW Datum uitspraak: 8 mei 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 mei 2017, 16/4717 en 16/4718 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. E.R. Jonkman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 9 januari 2019 heeft mr.
ECLI:NL:CRVB:2018:3811
177332 AW Datum uitspraak: 29 november 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2017, 17/1506 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Atceken-Ata, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

211684 AW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2021, 20/330 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de korpschef van politie (korpschef) Datum uitspraak: 23 februari 2023 Zitting heeft: L.M. Tobé, als lid van de enkelvoudige kamer Griffier: D. Al-Zubaidi Namens appellante is mr. M.H. Welter verschenen. Namens de korpschef is mr. P.J.C. Garrels verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. In het kader vaan een reorganisatie bij de politie is appellante bij besluit van 10 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 maart 2017, per 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en per die datum geplaatst in de functie van [functie 1] , bij de Districtsrecherche, District [district] , eenheid [eenheid] . De rechtbank Den Haag heeft op 8 november 2017 het beroep tegen het besluit van 29 maart 2017 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld. Hiermee staat het besluit van 10 juni 2016 in rechte vast.

2. Het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 10 juni 2016 en haar, net als een collega, met terugwerkende kracht tot 1 juli 2017, alsnog te plaatsen in de functie van [functie 2] heeft de korpschef met het besluit van 25 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 november 2019 (bestreden besluit), afgewezen. Volgens de korpschef heeft appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar voren gebracht. De inhoud van een jegens een collega herroepen besluit is dit volgens de korpschef niet. Verder heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing van het verzoek niet evident onredelijk is.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb toetst de bestuursrechter in een zaak als deze aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

5. Het is vaste rechtspraak dat de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond vormt voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten. Ook heeft de Raad eerder overwogen dat herroeping van een jegens een individuele betrokkene genomen besluit niet meebrengt dat het bestuursorgaan ten aanzien van alle anderen die zich in een mogelijk vergelijkbare situatie hebben bevonden, gehouden is om na een beroep op artikel 4:6 Awb te beoordelen of er aanleiding is om eenmaal rechtens onaantastbaar geworden besluitvorming te herzien.

Anders dan appellante, is de Raad van oordeel dat de situatie hier in de kern niet anders is. Appellante beroept zich er op dat de korpschef, nadat de rechtbank haar beroep ongegrond had verklaard, een collega in een in haar ogen vergelijkbare situatie, in diens nog wel lopende beroepsprocedure, alsnog tegemoet is gekomen door haar met terugwerkende kracht te plaatsen in de functie van [functie 2] . Dit gegeven doet er, wat er overigens ook van die vergelijkbaarheid zij, niet aan af dat appellante tegen de onder 1 genoemde uitspraak van de rechtbank van 8 november 2017 hoger beroep had kunnen instellen, maar hiervoor om haar moverende redenen niet heeft gekozen.

6. Uit het voorgaande volgt dat de korpschef zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld onder 3 heeft aangedragen. In wat appellante voor het overige heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

7. De conclusie is dus dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) L.M. Tobé (getekend) D. Al-Zubaidi Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep ECLI:NL:RBDHA:2017:12894. ECLI:NL:RBDHA:2021:2926. Zie onder meer CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115. Zie onder meer CRvB 8 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1557. CRvB 29 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3811.