Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:2192 ECLI:NL:CRVB:2023:2192 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:2192 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:2192
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

23/539 AOW Datum uitspraak: 22 november 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013, 10/4208 AOW, en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoeker] te [woonplaats], België (verzoeker) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2023.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:119 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2023:2192 · Centrale Raad van Beroep: Het is vaste rechtspraak dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Of wat verzoeker aanvoert tot herziening kan leiden 3.3. De Raad volgt verzoeker niet in zijn stelling dat er een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid is als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, die moet leiden tot herziening van de uitspraak van 15 maart 2013. 3.4. Verzoeker stelt dat de verklaringen die volgens verzoeker zijn gedaan door twee medewerkers van de Svb over het (in relevante mate) verrichten van beroepswerkzaamheden door verzoeker in Nederland, zo’n nieuw feit vormen.

Keywords

AI generated
artikel 8:119 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:119 van de Awb
De Raad wijst het verzoek om herziening af omdat de verklaringen geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb opleveren en verzoeker zulke nieuwe feiten of omstandigheden ook voor het overige niet naar voren heeft gebracht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5709
10/4208 AOW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2010, 09/4485 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A.
ECLI:NL:HR:2014:291
14 februari 2014 nr. 13/02284 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 maart 2013, nr. 10/4208 AOW, betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) op grond van de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW).
ECLI:NL:CRVB:2020:909
/173896 AOW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2017, 16/6009 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] , België (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) de Staat der Nederlanden (van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak:9 april 2020 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020.
ECLI:NL:CRVB:2015:1615
13/6370 BBZ Datum uitspraak: 26 mei 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 december 2012, 10/3472 Bbz Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college) PROCESVERLOOP Verzoekster heeft herziening gevraagd van de uitspraak van de Raad van 11 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5821. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 april 2015. Verzoekster is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN 1. Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Wab) in werking getreden. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wab blijft het recht zoals dit gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op een verzoek om herziening van een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2023:2829
201904771/2/V3. Datum uitspraak: 26 juli 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 19 juni 2019 in zaak nr. NL19.13128 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 5 juni 2019 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 19 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:CRVB:2018:3811
177332 AW Datum uitspraak: 29 november 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2017, 17/1506 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Atceken-Ata, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

23/539 AOW Datum uitspraak: 22 november 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013, 10/4208 AOW, en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoeker] te [woonplaats], België (verzoeker) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2023.

Verzoeker is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Nicolaas en mr. M. Sturmans. OVERWEGINGEN Samenvatting Verzoeker stelt dat de Raad zijn uitspraak van 15 maart 2013 moet herzien, omdat volgens hem de Svb verklaringen heeft gedaan waaruit blijkt van nieuwe feiten of omstandigheden. De Raad wijst het verzoek om herziening af omdat de verklaringen geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb opleveren en verzoeker zulke nieuwe feiten of omstandigheden ook voor het overige niet naar voren heeft gebracht.

Wat er aan het verzoek om herziening voorafging 1.1. Met zijn uitspraak van 15 maart 2013 heeft de Raad beslist op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2010, 09/4485. De Raad heeft, voor zover nu van belang, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd maar de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand gelaten. De reden voor deze beslissing was dat de Raad het bestreden besluit inhoudelijk wel juist achtte. De Raad heeft onder meer geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat verzoeker in de periode van 1 april 1971 tot 1 oktober 1980 en van 1 januari 1986 tot 1 maart 2009 (substantiële) werkzaamheden in Nederland heeft uitgeoefend, en dat het AOW-pensioen van verzoeker terecht was herzien naar 36% van het maximale pensioen. 1.2.

Verzoeker heeft tegen de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep ongegrond verklaard met zijn arrest van 14 februari 2014. 1.3. Verzoeker heeft de Svb in 2015 verzocht om terug te komen van het besluit van 24 april 2009. De Svb heeft dit verzoek afgewezen met een besluit van 21 januari 2016. Deze afwijzing is in bezwaar, beroep en hoger beroep in stand gebleven. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 9 april 2020. In deze uitspraak heeft de Raad geconcludeerd (punt 4.11) dat nog steeds niet is gebleken dat verzoeker in de periodes in geding in relevante mate in Nederland arbeid heeft verricht.

De gronden van het herzieningsverzoek 2.1. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013 ten grondslag gelegd dat er nieuwe feiten zijn die tot een andere uitkomst kunnen leiden. Verzoeker heeft onder meer aangevoerd dat twee medewerkers van de Svb tijdens een bezwaarprocedure over een WOB-verzoek van verzoeker hebben verklaard dat door verzoeker in Nederland beroepswerkzaamheden zijn verricht. Volgens verzoeker zijn deze verklaringen nieuwe feiten die tot herziening van de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013 moeten leiden. 2.2.

De Svb heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb en betwist dat er verklaringen zijn gedaan die bevestigen dat verzoeker in de periode in geding in Nederland beroepswerkzaamheden zou hebben verricht. Hoe het verzoek om herziening wordt getoetst 3.1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.2.

Het is vaste rechtspraak dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Of wat verzoeker aanvoert tot herziening kan leiden 3.3. De Raad volgt verzoeker niet in zijn stelling dat er een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid is als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, die moet leiden tot herziening van de uitspraak van 15 maart 2013. 3.4. Verzoeker stelt dat de verklaringen die volgens verzoeker zijn gedaan door twee medewerkers van de Svb over het (in relevante mate) verrichten van beroepswerkzaamheden door verzoeker in Nederland, zo’n nieuw feit vormen.

De Raad volgt verzoeker daarin niet. Niet aannemelijk is dat deze medewerkers verklaringen hebben gedaan waarin is erkend dat verzoeker meer werkzaamheden zou hebben verricht dan bekend was (en waarmee rekening is gehouden) bij het doen van de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013. De betrokken medewerkers hebben zowel schriftelijk als op de zitting van de Raad ontkend verklaringen van die strekking te hebben afgelegd. Zij hebben naar eigen zeggen slechts verwezen naar uitspraken van de Raad en andere Nederlandse rechtscolleges waaruit zij concludeerden dat die colleges kennelijk niet uitsloten dat verzoeker incidenteel in Nederland wat werk deed.

Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende medewerkers uitspraken met een verdergaande strekking hebben gedaan. In de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013 is rekening gehouden met de mogelijkheid dat verzoeker in de tijdvakken in geding enkele werkzaamheden in Nederland verrichtte. Beslissend voor het oordeel van de Raad is geweest dat niet aannemelijk werd geacht dat verzoeker in de periodes in geding substantiële werkzaamheden in Nederland heeft uitgeoefend. Reeds hierom vormen de gestelde verklaringen geen aanleiding voor herziening van de uitspraak van 15 maart 2013. 3.5.

Verzoeker heeft diverse omstandigheden aangevoerd over de volgens hem verrichte werkzaamheden in Nederland in de periode in geding, zoals zijn bezoeken aan een postkantoor in Nederland. Ook deze omstandigheden zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, alleen al omdat niet aannemelijk is dat deze omstandigheden bij verzoeker vóór de uitspraak van 15 maart 2013 niet bekend waren of hadden kunnen zijn. 3.6. Verzoeker wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023 een nieuw feit of nieuwe omstandigheid is die moet leiden tot herziening van de uitspraak van de Raad.

Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat een wijziging van de rechtspraak niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid wordt beschouwd. Verder is de genoemde uitspraak van de Afdeling niet vóór de uitspraak van 15 maart 2013 gedaan. 3.7. Verzoeker heeft stellingen ingebracht over de juistheid van besluiten en de handelwijze van de Svb. Die stellingen kunnen niet tot een andere uitkomst van deze herzieningsprocedure leiden, omdat de beoordeling daarvan alleen maar tot een hernieuwde discussie over de zaak en de juistheid van de uitspraak van 15 maart 2013 zou leiden.

Voor zo’n hernieuwde discussie is de herzieningsprocedure niet bedoeld. 3.8. De Raad concludeert dat verzoeker geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb naar voren heeft gebracht. Het verzoek om herziening moet dan ook worden afgewezen. Wat de gevolgen van deze uitspraak zijn 3.9. De afwijzing van het verzoek om herziening betekent dat de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013 in stand blijft. Verzoek om schadevergoeding 4. Het verzoek om de Svb te veroordelen tot vergoeding van materiële en immateriële schade wordt afgewezen.

Nog los van het feit dat van enig onrechtmatig handelen van de Svb niet is gebleken, biedt artikel 8:119, tweede lid, van de Awb hiervoor geen grondslag. Proceskosten en griffierecht 5. Verzoeker krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af, wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2023. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) S.S. Blok ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5709.

ECLI:NL:HR:2014:291. ECLI:NL:CRVB:2020:909. Zie de uitspraak van 26 mei 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:1615. ECLI:NL:RVS:2023:2829. Zie de uitspraak van 29 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3811.