Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:2166 ECLI:NL:CRVB:2023:2166 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:2166 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:2166
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

23/1287 WAO-W2 Datum beslissing: 31 oktober 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022 in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De behandeling ter zitting van het verzoek om herziening heeft plaatsgevonden op 7 september 2023. Deze zitting is voorgezeten door C.F.E. van Olden-Smit, lid van de enkelvoudige kamer (behandelend rechter).

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2023:2166 · Centrale Raad van Beroep: Ook leden van de wrakingskamer kunnen worden gewraakt. 2.1. Verzoeker heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De voorzitter van de wrakingskamer, B.J. van de Griend, is als lid van een meervoudige kamer betrokken geweest bij een eerdere zaak van verzoeker. De Raad heeft in die zaak op 30 april 2015 uitspraak gedaan en de aangevallen uitspraak bevestigd. Verzoeker is het niet eens met deze uitspraak en is van mening dat Van de Griend in die zaak belangrijk bewijs heeft genegeerd en daarmee niet aan haar onderzoeksverplichting heeft voldaan.

Keywords

AI generated
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2018:1770
25 september 2018 Strafkamer nr.
ECLI:NL:PHR:2022:458
Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:458.
ECLI:NL:HR:2010:BM9141
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:CRVB:2016:2105
12/4213 AWBZ-W, 14/4987 AWBZ-W Datum uitspraak: 6 juni 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 juli 2012, 11/6498, in het geding tussen verzoeker en het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ). Op 7 mei 2014 heeft een meervoudige kamer van de Raad, bestaande uit mrs. R.M. van Male, A.J. Schaap en W.H. Bel, in het onderhavige hoger beroep een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:1538) gedaan.
ECLI:NL:HR:2022:1281
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/04241 Datum 23 september 2022 ARREST in de zaak van de erfgenamen van [X], gewoond hebbende te [Z], (hierna: belanghebbenden) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 9 september 2021, nr. SGR 21/01251V, op het verzet van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank van 15 juni 2021 (nr. SGR 21/01251) betreffende een verzoek van belanghebbenden om herziening van een uitspraak van de Rechtbank van 26 augustus 2020. De uitspraak op verzet is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

23/1287 WAO-W2 Datum beslissing: 31 oktober 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022 in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De behandeling ter zitting van het verzoek om herziening heeft plaatsgevonden op 7 september 2023. Deze zitting is voorgezeten door C.F.E. van Olden-Smit, lid van de enkelvoudige kamer (behandelend rechter).

Verzoeker heeft ter zitting verzocht om wraking van de behandelend rechter. Verzoeker en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de wrakingskamer van de Raad op 6 oktober 2023. Daarbij is aan hen meegedeeld dat het verzoek om wraking zal worden behandeld door B.J. van de Griend, L.M. Tobé en K.M.P. Jacobs (de wrakingskamer). Op 30 september 2023 heeft verzoeker op deze uitnodiging gereageerd met het verzoek om B.J. van de Griend te vervangen. Na een reactie hierop van de Raad heeft verzoeker op 2 oktober 2023 schriftelijk, en met toelichting, verzocht om wraking van de wrakingskamer.

De wrakingskamer heeft bij brief van 9 oktober 2023 op het verzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Het verzoek om wraking van de wrakingskamer is op 24 oktober 2023 ter zitting behandeld. Verzoeker is verschenen. De leden van de wrakingskamer hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord. OVERWEGINGEN 1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Ook leden van de wrakingskamer kunnen worden gewraakt. 2.1. Verzoeker heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De voorzitter van de wrakingskamer, B.J. van de Griend, is als lid van een meervoudige kamer betrokken geweest bij een eerdere zaak van verzoeker. De Raad heeft in die zaak op 30 april 2015 uitspraak gedaan en de aangevallen uitspraak bevestigd. Verzoeker is het niet eens met deze uitspraak en is van mening dat Van de Griend in die zaak belangrijk bewijs heeft genegeerd en daarmee niet aan haar onderzoeksverplichting heeft voldaan.

Volgens verzoeker brengt de betrokkenheid van Van de Griend bij die eerdere zaak daarom mee dat zij geen deel mag uitmaken van de wrakingskamer. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verzoeker ook op een conclusie van advocaat-generaal Niessen. 2.2. Uit wat verzoeker heeft aangevoerd en wat ter zitting is besproken, volgt dat de gronden van het wrakingsverzoek uitsluitend betrekking hebben op Van de Griend, als voorzitter van de wrakingskamer, en niet op de andere leden van deze kamer. 3.1. De Raad komt tot het oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd met betrekking tot de betrokkenheid van Van de Griend bij de zaak uit 2015, niet tot het oordeel kan leiden dat sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt. 3.2. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 3.3.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de enkele omstandigheid dat een rechter eerder heeft geoordeeld in een zaak van eenzelfde partij geen grond vormt voor twijfel aan zijn onpartijdigheid. Dat is ook het geval indien daarbij door die rechter een voor die partij onwelgevallige procedurele of inhoudelijke beslissing is genomen. 3.4. De bezwaren van verzoeker komen er kort gezegd op neer dat hij geen vertrouwen in Van de Griend heeft, omdat zij volgens hem in het verleden onjuiste beslissingen heeft genomen. Dat levert gelet op wat in 3.3 is overwogen geen zwaarwegende aanwijzing op voor vooringenomenheid jegens verzoeker.

Verzoeker heeft evenmin concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit (de schijn van) vooringenomenheid van Van de Griend kan worden afgeleid. Ook de conclusie van Niessen leidt niet tot een ander oordeel. Deze conclusie ziet op een andere situatie – namelijk of het lid van de enkelvoudige kamer dat in eerste instantie over de zaak heeft beslist ook het verzoek om herziening van die uitspraak mag behandelen – en is bovendien niet gevolgd door de Hoge Raad.

4. Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen. Dat brengt mee dat het verzoek om wraking van Van Olden-Smit kan worden behandeld door de wrakingskamer zoals die oorspronkelijk is samengesteld.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af. Deze beslissing is gegeven door T. Dompeling als voorzitter en E.C.E. Marechal en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2023. (getekend) T. Dompeling (getekend) S.S. Blok Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770. Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:458. Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2105. Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1281, r.o. 3.3.2-3.3.3.