Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:2161 ECLI:NL:CRVB:2023:2161 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:2161 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:2161
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

23763 TOZO-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108, in verbinding met artikel 8:84, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van Ede (college) Datum uitspraak: 10 oktober 2023 PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 december 2022, 21/4169, 22/394, 22/395 en 22/436.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:125 van de Awb, artikel 8:75 van de Awb, artikel 8:75a van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2023:2161 · Centrale Raad van Beroep: De voorzieningenrechter van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 augustus 2023. Voor verzoekster is mr. I. Car, kantoorgenoot van mr. Talhaoui, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok. OVERWEGINGEN Op grond van artikel 8:84, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb kan in geval van intrekking van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb worden veroordeeld.

Keywords

AI generated
artikel 4:125 van de Awb artikel 8:75 van de Awb artikel 8:75a van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:125 van de Awb
Op grond van artikel 4:125 van de Awb heeft het hoger beroep ook betrekking op dat besluit.
artikel 8:75 van de Awb
artikel 8:75a van de Awb
Onder deze omstandigheden is sprake van geheel tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb in de hiervoor bedoelde zin.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2020:2937
Datum uitspraak: 25 november 2020 20/1763 WARZO-VV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108, in verbinding met artikel 8:84, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het verzoek om voorlopige voorziening. Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. R. Grijpstra, advocaat, bij brief van 7 mei 2020 de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776
04/3543 ZFW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 juni 2004, 04/21 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Eindhoven (hierna: ziekenfonds) Datum uitspraak: 16 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het ziekenfonds heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2005:AT7364
04/1061 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen, gedaagde.
ECLI:NL:RVS:2015:1887
201409266/1/A3. Datum uitspraak: 17 juni 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 november 2014 in zaak nr. 14/2545 op het verzoek van [appellante] om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)). Procesverloop Bij besluit van 14 mei 2014 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Groot Salland naar aanleiding van een verzoek van [appellante] diverse documenten openbaar gemaakt.
ECLI:NL:CRVB:2023:949
21/3345 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2021, 20/3461 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] (appellante), als bewindvoerder over de goederen van [betrokkene] (betrokkene) het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college) Datum uitspraak: 30 mei 2023 PROCESVERLOOP Het college heeft met een besluit van 23 oktober 2019 de aan betrokkene toegekende bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering voortgezet met ingang van 1 januari 2020.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

23763 TOZO-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108, in verbinding met artikel 8:84, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van Ede (college) Datum uitspraak: 10 oktober 2023 PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 december 2022, 21/4169, 22/394, 22/395 en 22/436.

In deze uitspraak gaat het onder meer om terugvordering van de aan verzoekster verstrekte uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo). Tijdens de hoger beroepsprocedure heeft het college met een besluit van 22 februari 2023 aan verzoekster meegedeeld dat besloten is om over te gaan tot invordering van het teruggevorderde bedrag aan Tozo-uitkering. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Op grond van artikel 4:125 van de Awb heeft het hoger beroep ook betrekking op dat besluit. Namens verzoekster heeft mr.

Talhaoui met een brief van 3 maart 2023 ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek heeft betrekking op het besluit van 22 februari 2023. Met een e-mail van 10 maart 2023 heeft de gemachtigde van verzoekster aan de afdeling invordering van de gemeente Ede meegedeeld dat hij het niet eens is met de invordering en dat hij een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend. Hij heeft verzocht om de invordering op te schorten. Als de afdeling hiertoe bereid zou zijn, zou het verzoek weer ingetrokken kunnen worden. Op 22 maart 2023 heeft het college aan de gemachtigde meegedeeld dat de invordering is opgeschort.

Op 28 maart 2023 heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en gelijktijdig verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens het college was het verzoek om een voorlopige voorziening niet nodig, omdat de invordering in beroep ook al was opgeschort. Na de uitspraak van de rechtbank is de invordering weer opgestart, maar bij het eerste verzoek van de gemachtigde hangende het hoger beroep is de invordering weer opgeschort. De gemachtigde had dan ook kunnen volstaan met een telefonisch verzoek.

De voorzieningenrechter van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 augustus 2023. Voor verzoekster is mr. I. Car, kantoorgenoot van mr. Talhaoui, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok. OVERWEGINGEN Op grond van artikel 8:84, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb kan in geval van intrekking van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb worden veroordeeld.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Bij toepassing van artikel 8:75a van de Awb in een voorlopige voorzieningenprocedure dient de vraag of en in hoeverre het bestuursorgaan aan het verzoek is tegemoetgekomen in de eerste plaats te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bodemprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan een voorlopige maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.

Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college op 22 maart 2023 heeft beslist tot stopzetting van de invordering in afwachting van de uitspraak van de Raad op het hoger beroep. Onder deze omstandigheden is sprake van geheel tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb in de hiervoor bedoelde zin. Volgens vaste rechtspraak dient een verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb als regel te worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen.

Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien de noodzaak om van een rechtsmiddel gebruik te maken uitsluitend te wijten was aan de handelwijze van betrokkene zelf. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval geen sprake. Het betoog van het college dat hier wel sprake van is treft geen doel. Dit wordt hierna toegelicht. Anders dan het college betoogt, levert het gegeven dat onverplicht en bij wege van coulance is tegemoetgekomen, in beginsel niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op.

Ook doet zich hier niet de situatie voor dat vanwege het ingestelde hoger beroep en op het moment van het indienen van verzoek om een voorlopige voorziening al voorzienbaar was dat de invordering zou worden opgeschort. In dit geval bestond op dat moment geen aanwijzing dat het college de invordering zou opschorten. Uit het feit dat het college kort na het instellen van hoger beroep met het besluit van 22 februari 2023 de invordering juist heeft hervat, mocht verzoekster duidelijk het tegendeel opmaken. Het college heeft tot slot aangevoerd dat als de gemachtigde van verzoekster eerst met het college had gebeld, de invordering meteen was stopgezet en dat daarom het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening niet nodig is geweest.

Het is begrijpelijk dat het college, gelet op het belang van dejuridisering en het voorkomen van nodeloos proceskosten maken, zich op het standpunt heeft gesteld dat het wenselijk is om eerst het verzoek (telefonisch) bij het college neer te leggen. Maar dit levert geen bijzondere omstandigheid op. In dit geval is er namelijk geen sprake van een evidente fout die het college niet zou corrigeren indien verzoekster (telefonisch) contact zou opnemen met het college. In wat het college heeft aangevoerd zijn dan ook geen bijzondere omstandigheden gelegen die een uitzondering op het hiervoor genoemde uitgangspunt rechtvaardigen.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de behandeling ter zitting uitsluitend zag op het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten, bestaat aanleiding tot toepassing van de wegingsfactor licht (0,5) bij de vaststelling van de hoogte van de kosten voor het bijwonen van de zitting door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.255,50 voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een wegingsfactor 0,5, en een waarde per punt van € 837,-).

Ook dient het college het door verzoekster betaalde griffierecht in verband met het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening te vergoeden. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.255,50; bepaalt dat het college aan verzoekster het in de voorlopige voorziening betaalde griffierecht van in totaal € 136,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2023. (getekend) E.C.E. Marechal De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Vergelijk de uitspraak van 25 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2937. Vergelijk de uitspraak van 16 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776. Vergelijk de uitspraak van 13 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT7364. Vergelijk de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1887 en anders dan de uitspraak van 30 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:949.