Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:2160 ECLI:NL:CRVB:2023:2160 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:2160 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:2160
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

21/2995 WMO15 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2021, 17/5143 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het CAK Datum uitspraak: 16 november 2023 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het CAK heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door C.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2023:2160 · Centrale Raad van Beroep: Jansen en mr. B. Imhof. Ter zitting is het onderzoek geschorst. Het CAK heeft een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft daarop gereageerd. Het CAK heeft op verzoek van de Raad een toelichting gegeven op enkele door appellante naar voren gebrachte punten. Appellante heeft daarop gereageerd. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

21/2995 WMO15 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2021, 17/5143 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het CAK Datum uitspraak: 16 november 2023 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het CAK heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door C.

Jansen en mr. B. Imhof. Ter zitting is het onderzoek geschorst. Het CAK heeft een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft daarop gereageerd. Het CAK heeft op verzoek van de Raad een toelichting gegeven op enkele door appellante naar voren gebrachte punten. Appellante heeft daarop gereageerd. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1.

Bij besluit van 22 mei 2017 heeft het CAK de maximale periodebijdrage voor zorg of ondersteuning (maximale periodebijdrage) vanaf periode één van 2016 voor appellante vastgesteld op € 479,82 per vier weken. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Volgens appellante heeft het CAK voor de berekening van de maximale periodebijdrage gebruik gemaakt van onjuiste inkomensgegevens van haar en haar echtgenoot over het peiljaar 2014. 1.2. Bij beslissing op bezwaar van 20 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. 3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en herhaald dat de maximale periodebijdrage over 2016 moet worden gewijzigd, omdat het CAK zich op onjuiste inkomensgegevens heeft gebaseerd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante – onder meer – informatie van de Belastingdienst van 9 februari 2022 overgelegd, waaruit volgt dat het verzamelinkomen van haar en haar echtgenoot over het peiljaar 2014 naar beneden is bijgesteld. 3.2. Na schorsing van het onderzoek heeft het CAK een besluit van 15 maart 2023 genomen. Bij dit besluit heeft het CAK op grond van de door appellante overgelegde inkomensgegevens de maximale periodebijdrage over 2016 herzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Het CAK heeft het bestreden besluit vervangen door het besluit van 15 maart 2023. Met dit besluit heeft het CAK alsnog rekening gehouden met de door appellante verstrekte inkomensgegevens. Het CAK is met dit besluit dus volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Het hoger beroep wordt daarom niet geacht op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, mede tegen dit besluit te zijn gericht, zodat het besluit van 15 maart 2023 niet in het geding wordt betrokken. Nu appellante het hoger beroep niet heeft ingetrokken, zal het hoger beroep vanwege het daaraan komen te ontvallen van het procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard. 4.2. Wat appellante naar voren heeft gebracht over verschuldigde rente en incassokosten aan incassobureau Flanderijn en een nog openstaande schuld bij het CAK valt buiten de omvang van dit geschil. De Raad kan daar niet op ingaan.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; bepaalt dat het CAK het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 180,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2023. (getekend) B.J. van de Griend (getekend) C.K. Teunissen