Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:2107 ECLI:NL:CRVB:2023:2107 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:2107 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:2107
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

22/2749 ANW Datum uitspraak: 10 november 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019, 17/4474 ANW Partijen: [verzoekster] te Marokko (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:366. De Svb heeft geen reactie ingezonden op dit verzoek om herziening. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 september 2023.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:119 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2023:2107 · Centrale Raad van Beroep: Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.1. Op grond van artikel 8:119 van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 4.2.

Keywords

AI generated
artikel 8:119 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:119 van de Awb
Op grond van artikel 8:119 van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2019:366
174474 ANW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2017, 16/7244 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 31 januari 2019 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
ECLI:NL:CRVB:2020:828
Bij uitspraak van 31 januari 2019, waarvan nu herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2017, 16/7244, bevestigd.
ECLI:NL:CRVB:2015:1055
13/1933 WAO Datum uitspraak: 20 maart 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2012, 11/633 WAO Partijen: [Verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij een op 10 april 2013 door de Raad ontvangen brief verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2012, 11/633 WAO, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0190. Het Uwv heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.
ECLI:NL:CRVB:2017:4060
167448 WAO Datum uitspraak: 21 november 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 maart 2015, 14/2638 WAO-V Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] Marokko (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij brief van 25 oktober 2016 voor een tweede maal gevraagd om herziening van de door de Raad op 24 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1233) gegeven uitspraak. Het Uwv heeft op dit verzoek geen reactie gegeven.
ECLI:NL:CRVB:2014:1218
13/2711 AOW Datum uitspraak: 11 april 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 februari 2013, 12/2085 Partijen: [verzoekster] te [woonplaats], Marokko (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 februari 2013. De Svb heeft geen reactie op dit verzoek om herziening ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2014. Verzoekster is daarbij niet verschenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

22/2749 ANW Datum uitspraak: 10 november 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019, 17/4474 ANW Partijen: [verzoekster] te Marokko (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:366. De Svb heeft geen reactie ingezonden op dit verzoek om herziening. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 september 2023.

Verzoekster is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. N. Diamant. OVERWEGINGEN Samenvatting In deze uitspraak verklaart de Raad een derde verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:366, niet-ontvankelijk. Het verzoek is nietontvankelijk verklaard, omdat het verzoek onredelijk laat is ingediend. Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Met een uitspraak van 31 januari 2019 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2017, 16/7244, bevestigd.

In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard omdat de Svb terecht de aanvraag om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet heeft afgewezen. 1.2. Een eerste verzoek om herziening van de uitspraak van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019 heeft de Raad afgewezen bij uitspraak van 13 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:828. 1.3. Een tweede verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019 is niet ontvankelijk verklaard bij uitspraak van 3 juni 2021, ECLI:NL:2021:1328. 1.4.

Op 3 oktober 2022 heeft verzoekster weer gevraagd om herziening van de uitspraak van 31 januari 2019. Het standpunt van verzoekster 2. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij het financieel zwaar heeft en geld nodig heeft om in haar persoonlijke behoeften te kunnen voorzien. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat om de onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad van 31 januari 2019 te herzien. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die verzoekster in haar verzoek om herziening heeft aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk is.

Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.1. Op grond van artikel 8:119 van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 4.2.

Gelet op de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4060, wordt voorop gesteld dat van degene die om herziening van een uitspraak vraagt, mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek kan niet-ontvankelijk worden verklaard. 4.3. Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden (nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.

Deze regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de termijn van één jaar gebonden. 4.4. De gronden van het verzoek om herziening komen erop neer dat verzoekster opnieuw de discussie probeert te voeren over de zaak waarover – na een inhoudelijke beoordeling – is beslist bij de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

Daar komt in dit geval bij dat verzoekster niet ingaat op de eerdere uitspraak van de Raad van 3 juni 2021 waarin is geoordeeld dat appellante niet ontvankelijk is in haar verzoek omdat het te laat is ingediend. 4.5. Bij het herzieningsverzoek zijn, zoals gezegd, geen nova gesteld en het herzieningsverzoek is meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, ingediend. Daarom moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend. Conclusie en gevolgen 4.6. Het verzoek om herziening wordt niet ontvankelijk verklaard.

De uitspraak van de Raad van 31 januari 2019 blijft in stand.

5. Verzoekster krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2023. (getekend) E.E.V. Lenos (getekend) L.C. van Bentum Algemene wet bestuursrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1218.