Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:2019 ECLI:NL:CRVB:2023:2019 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:2019 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:2019
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

223693 AW Datum uitspraak: 26 oktober 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018, 17/195 AW, 17/3043 AW Partijen: [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij brief van 28 oktober 2022 een verzoek om herziening ingediend. Namens het college heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat, een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 september 2023.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:2019 · Centrale Raad van Beroep: De Raad oordeelt als volgt. 3.1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en; c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.2. De Raad heeft eerder geoordeeld dat alleen van de oorspronkelijke uitspraak herziening kan worden verzocht en niet van een herzieningsuitspraak.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2018:1681
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 november 2016, 15/3746 en 16/1683 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college) Datum uitspraak: 31 mei 2018 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend. Namens het college heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat, een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:CRVB:2022:2141
214569 AW, 21/4570 AW Datum uitspraak: 29 september 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018, 17/195 AW, 17/3043 AW Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij brief van 20 december 2021 een verzoek om herziening ingediend. Namens het college heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat, een verweerschrift ingediend. Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2015:3799
14/3335 WUV Datum uitspraak: 22 oktober 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraken van de Raad van 8 mei 2014, 13/269 WUV Partijen: [Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder) PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft haar echtgenoot [naam echtgenoot], om herziening verzocht van de uitspraak van de Raad van 8 mei 2014, 13/269 WUV. Verweerder heeft op het verzoek om herziening gereageerd. Het verzoek om herziening is behandeld ter zitting van 10 september 2015.
ECLI:NL:CRVB:2014:1360
11/3557 WAO Datum uitspraak: 23 april 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 mei 2011, 09/4306 WAO Partijen: [verzoeker] te[woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 mei 2011, 09/4306 WAO. Het Uwv heeft een reactie op het herzieningsverzoek ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

223693 AW Datum uitspraak: 26 oktober 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018, 17/195 AW, 17/3043 AW Partijen: [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij brief van 28 oktober 2022 een verzoek om herziening ingediend. Namens het college heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat, een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 september 2023.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door [X]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Duren. OVERWEGINGEN 1.1. Met een besluit van 18 december 2013 heeft het college verzoeker met ingang van 1 januari 2014 ontslag verleend wegens een diepgaande, ernstig en onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding. Bij besluit van 12 april 2016 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 november 2016 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 april 2016 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2018 heeft de Raad deze uitspraak bevestigd en het door verzoeker ingediende verzoek om schadevergoeding afgewezen. 1.2. Verzoeker heeft op 20 december 2021 een verzoek om herziening ingediend van de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018. De Raad heeft dit verzoek bij uitspraak van 29 september 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek onredelijk laat is ingediend. 1.3. Verzoeker heeft op 28 oktober 2022 opnieuw een verzoek om herziening ingediend van de uitspraak van 31 mei 2018. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zijn eerdere verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld als het tijdig zou zijn ingediend.

Ook is hij van mening dat niet onredelijk lang is gewacht met het indienen van het verzoek. Hij heeft het vorige herzieningsverzoek namelijk pas ingediend toen hij zijn vermoeden dat het ontslagbesluit onbevoegd was ondertekend, bevestigd zag.

2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gronden van het verzoek zijn geformuleerd als een (hoger) beroep tegen de uitspraak van 29 september 2022, waarbij het eerdere verzoek om herziening is afgewezen. Verzoeker heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd, zodat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen. Verder stelt het college zich op het standpunt dat verzoeker kennelijk onredelijk gebruik maakt van het procesrecht. Daarom verzoekt het college de Raad om verzoeker te veroordelen in de proceskosten van het college.

3. De Raad oordeelt als volgt. 3.1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en; c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.2. De Raad heeft eerder geoordeeld dat alleen van de oorspronkelijke uitspraak herziening kan worden verzocht en niet van een herzieningsuitspraak.

Onderhavige verzoek om herziening moet dan ook worden opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de uitspraak van 31 mei 2018, ook al is het deels geformuleerd als verzoek om herziening van de herzieningsuitspraak van 29 september 2022. 3.3 Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld om een hernieuwde discussie te voeren of om een discussie over de uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. In beginsel kunnen alleen aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden.

Dit kan alleen indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. 3.4. Verder heeft de Raad in de uitspraak van 29 september 2022 over het eerdere verzoek om herziening al overwogen dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Een verzoek om herziening is in de regel onredelijk laat ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden (nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. 3.5.

Verzoeker heeft ook in het huidige verzoekschrift geen nova gesteld. Hij heeft uitsluitend herhaald wat hij in het eerdere verzoek om herziening naar voren heeft gebracht en heeft nogmaals toegelicht waarom hij zo lang heeft gewacht met het indienen van het verzoek. Met zijn verzoek beoogt verzoeker opnieuw de juistheid van de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018 ter discussie te stellen. Ook dit verzoek is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Dit betekent dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.

Daarom zal het verzoek om herziening niet-ontvankelijk worden verklaard. 3.6. Het college heeft verzocht om verzoeker te veroordelen in de proceskosten. Op grond van artikel 8:75, derde volzin, van de Awb kan een natuurlijke persoon alleen in de proceskosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Hoewel het verzoek om herziening een herhaling is van het vorige verzoek, ziet de Raad hierin op dit moment nog onvoldoende aanleiding om verzoeker in de proceskosten te veroordelen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.T van den Corput, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2023. (getekend) J.J.T. van den Corput (getekend) M. Dafir ECLI:NL:CRVB:2018:1681. ECLI:NL:CRVB:2022:2141. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3799. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1360.