Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:1998 ECLI:NL:CRVB:2023:1998 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:1998 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:1998
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

21/2332 WMO15 Datum uitspraak: 1 november 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 mei 2021, 20/2560 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) PROCESVERLOOP Met een besluit van 7 oktober 2019 heeft het college appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning verstrekt. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 19 maart 2020 (bestreden besluit) bij zijn eerdere beslissing gebleven.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:1998 · Centrale Raad van Beroep: Bovenstaande heeft geleid tot de in het procesverloop weergegeven besluitvorming. Bij die besluitvorming heeft het college appellante – voor zover hier van belang – met ingang van 14 oktober 2019 voor onbepaalde tijd een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning van 180 minuten per week verstrekt. De maatwerkvoorziening voorziet in de volledige overname van het zware huishoudelijke werk, de gedeeltelijke overname van het lichte huishoudelijke werk en de gedeeltelijke overname van de wasverzorging. Het college heeft geen tijd toegekend voor afwassen, bedden opmaken en kleding en linnengoed sorteren en wassen in een wasmachine, omdat is gebleken dat appellante deze huishoudelijke taken nog zelf doet.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2016:1402
15/4490 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2015, 15/98-T (aangevallen tussenuitspraak), en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 juni 2015, 15/98 (aangevallen einduitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) Datum uitspraak: 18 mei 2016 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W. Korte, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.
ECLI:NL:CRVB:2018:3835
18/2788 WMO15 Datum uitspraak: 10 december 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 april 2018, 17/1589 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk (college) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Namens het college heeft mr. E.E. Schaake, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. K. Wevers een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaken 18/2791 WMO15 en 18/2793 WMO15 plaatsgevonden op 12 september 2018.
ECLI:NL:CRVB:2018:819
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 september 2016, 16/747 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college) PROCESVERLOOP Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door [naam 1] , heeft mr. M.J.W. Hemmes, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018.
ECLI:NL:CRVB:2018:2182
174477 WMO15 Datum uitspraak: 11 juli 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 februari 2017, 16/3949 (aangevallen tussenuitspraak), en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 mei 2017, 16/3949 (aangevallen einduitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H.S. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2019:289
181431 WMO15, 18/3777 WMO15 Datum uitspraak: 30 januari 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2018, 17/108 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H.S. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2018.
ECLI:NL:CRVB:2022:919
201458 WMO15 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 maart 2020, 19/3629 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) Datum uitspraak: 20 april 2022 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H.S. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2022. Namens appellante is mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

21/2332 WMO15 Datum uitspraak: 1 november 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 mei 2021, 20/2560 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) PROCESVERLOOP Met een besluit van 7 oktober 2019 heeft het college appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning verstrekt. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 19 maart 2020 (bestreden besluit) bij zijn eerdere beslissing gebleven.

Appellante heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Namens appellante heeft mr. H.S. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 september 2023. Voor appellante is mr. Eisenberger verschenen, vergezeld door P.W.M. de Pagter. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.C. Legemate en mr. R. Braeken. OVERWEGINGEN Samenvatting Het gaat in deze zaak om de vraag of het college bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning gebruik heeft mogen maken van normtijden.

De Raad verwijst naar zijn vaste rechtspraak op dit punt en komt tot de conclusie dat het college dat heeft mogen doen. Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren in 1942, ondervindt beperkingen bij het verrichten van huishoudelijke taken. In verband hiermee heeft het college appellante op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning verstrekt. Naar aanleiding van een verzoek van appellante om uitbreiding van de huishoudelijke ondersteuning heeft het college onderzoek gedaan naar haar situatie. 1.2.

Bovenstaande heeft geleid tot de in het procesverloop weergegeven besluitvorming. Bij die besluitvorming heeft het college appellante – voor zover hier van belang – met ingang van 14 oktober 2019 voor onbepaalde tijd een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning van 180 minuten per week verstrekt. De maatwerkvoorziening voorziet in de volledige overname van het zware huishoudelijke werk, de gedeeltelijke overname van het lichte huishoudelijke werk en de gedeeltelijke overname van de wasverzorging. Het college heeft geen tijd toegekend voor afwassen, bedden opmaken en kleding en linnengoed sorteren en wassen in een wasmachine, omdat is gebleken dat appellante deze huishoudelijke taken nog zelf doet.

De totale omvang van de maatwerkvoorziening per week heeft het college met verwijzing naar de in zijn beleidsregels van toepassing verklaarde normtijden van het CIZprotocol Huishoudelijke Verzorging bepaald op 175 minuten, naar boven afgerond op 180 minuten. De uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit van het college om appellante met ingang van 14 oktober 2019 voor onbepaalde tijd een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning van 180 minuten per week te verstrekken in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.1.

Gelet op wat is besproken ter zitting van de Raad is tussen partijen alleen nog in geschil of het college bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning voor appellante gebruik heeft mogen maken van normtijden. De conclusie van de Raad is dat het college dat heeft mogen doen. 4.2. Het is vaste rechtspraak dat een college van burgemeester en wethouders bevoegd is om ter invulling van het begrip schoon en leefbaar huis normtijden voor schoonmaakactiviteiten in beleidsregels vast te stellen. In beginsel mag een college bij het bepalen van de omvang van een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning gebruikmaken van dergelijke normtijden.

In wat appellante heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien om hier nu anders over te oordelen. Het betoog van appellante dat het gebruik van normtijden in strijd is met de onderzoeksverplichting van het college zoals die volgt uit het stappenplan van de Raad slaagt niet. Dit betoog gaat eraan voorbij dat een normtijd niet meer is dan een uitgangspunt waarvan in voorkomende gevallen kan worden afgeweken. 4.3. Evenmin wordt aanleiding gezien om te oordelen dat het college in dit geval geen gebruik heeft mogen maken van de vastgestelde normtijden.

Appellante heeft weliswaar betoogd dat met het gebruik van normtijden onvoldoende recht wordt gedaan aan haar specifieke individuele situatie, maar heeft dit betoog niet onderbouwd. Het is de Raad niet kunnen blijken op grond van welke specifieke omstandigheden een afwijking van de normtijden in dit geval aangewezen was. Conclusie en gevolgen 4.4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

5. Gezien de uitkomst van het hoger beroep krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J. Brand en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2023. (getekend) B.J. van de Griend (getekend) C.K. Teunissen Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402, en 10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3835. Zie de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819. Zie in dit verband ook de uitspraken van de Raad van 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182, 30 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:289, en 20 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:919.