Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:1950 ECLI:NL:CRVB:2023:1950 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:1950 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:1950
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

223545 ANW-PV Datum uitspraak: 11 oktober 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2020, 20/845 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats], Turkije (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als lid van de enkelvoudige kamer Griffier: S.S. Blok Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4:6 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2023:1950 · Centrale Raad van Beroep: Deze aanvragen zijn door de Svb opgevat als een verzoek om herziening van de eerdere afwijzing als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Svb heeft geweigerd zijn afwijzende besluit te herzien. Op 30 augustus 2021 heeft appellant opnieuw een nabestaandenuitkering aangevraagd. Ook deze aanvraag is door de Svb opgevat als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb van het eerdere afwijzende besluiten. Bij besluit van 14 oktober 2021, in stand gelaten bij het bestreden besluit van 8 maart 2022, heeft de Svb ook dit verzoek afgewezen.

Keywords

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 4:6 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
Deze aanvragen zijn door de Svb opgevat als een verzoek om herziening van de eerdere afwijzing als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
artikel 4:6 van de Awb
Ook deze aanvraag is door de Svb opgevat als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb van het eerdere afwijzende besluiten.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

223545 ANW-PV Datum uitspraak: 11 oktober 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2020, 20/845 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats], Turkije (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als lid van de enkelvoudige kamer Griffier: S.S. Blok Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.

Starreveld. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. De beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Met een besluit van 18 februari 2013 heeft de Svb geweigerd aan appellant een nabestaandenuitkering toe te kennen op de grond dat appellant ten tijde van het overlijden van zijn echtgenote op 4 oktober 2012 niet meer dan 45% arbeidsongeschikt was. Deze weigering is tot in hoogste aanleg in stand gebleven. In januari 2019 en februari 2021 heeft appellant opnieuw een aanvraag voor een nabestaandenuitkering gedaan.

Deze aanvragen zijn door de Svb opgevat als een verzoek om herziening van de eerdere afwijzing als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Svb heeft geweigerd zijn afwijzende besluit te herzien. Op 30 augustus 2021 heeft appellant opnieuw een nabestaandenuitkering aangevraagd. Ook deze aanvraag is door de Svb opgevat als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb van het eerdere afwijzende besluiten. Bij besluit van 14 oktober 2021, in stand gelaten bij het bestreden besluit van 8 maart 2022, heeft de Svb ook dit verzoek afgewezen.

Volgens de Svb heeft appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd en is de eerdere afwijzing ook niet onmiskenbaar onjuist. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb terecht geconstateerd dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot herziening van het eerdere besluit moeten leiden. Uit het medisch rapport van 19 september 2019 blijkt niet dat appellant bij het overlijden van zijn echtgenote meer dan 45% arbeidsongeschikt was. Ook is het eerdere besluit niet onmiskenbaar onjuist.

Appellant heeft weliswaar gesteld dat de besluitvorming door de Svb in strijd is met het NTV, maar dit niet verder uitgewerkt en onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen grond het bestreden besluit voor onjuist te houden. Nu er geen onrechtmatig besluit is, is er ook geen aanleiding het verzoek tot vergoeding van schade te honoreren. Appellant herhaalt in hoger beroep dat hij wél recht heeft op een nabestaandenuitkering, omdat uit een medisch rapport opgemaakt in Turkije zou blijken dat hij minstens 48% arbeidsongeschikt is. Ook stelt hij dat de afwijzing van een nabestaandenuitkering in strijd is met het NTV en dat hij geen inkomen heeft.

Tot slot stelt hij recht te hebben op vergoeding van materiële en immateriële schade, omdat de Svb ten onrechte de hem toekomende nabestaandenuitkering niet heeft uitbetaald. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit berust. Nu de Svb geen onrechtmatig besluit heeft genomen, heeft de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) S.S. Blok (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep 14/418 ANW, 24 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2517.

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid.