Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:115 ECLI:NL:CRVB:2023:115 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:115 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:115
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

22626 AW Datum uitspraak: 19 januari 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2022, 21/3889 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP Namens appellant hebben mr. H.L.A. Ko en mr. F.H. Buvelot, advocaten, hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:6 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2023:115 · Centrale Raad van Beroep: In hoger beroep heeft appellant zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat artikel 4:6 van de Awb niet van toepassing is en dat hij niet wist of kon weten dat hem ten onrechte geen TBF was toegekend, zodat van berusting geen sprake is.

Keywords

AI generated
artikel 4:6 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:6 van de Awb
In hoger beroep heeft appellant zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat artikel 4:6 van de Awb niet van toepassing is en dat hij niet wist of kon weten dat hem ten onrechte geen TBF was toegekend, zodat van berusting geen sprake is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2019:3826
186261 AW, 18/6262 AW, 19/1763 AW, 19/1764 AW, 19/1849 AW, 19/1850 AW, 19/2336 AW, 19/2337 AW Datum uitspraak: 21 november 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de beroepen tegen het niet tijdig nemen van nieuwe beslissingen op bezwaar, op de beroepen tegen de besluiten van de korpschef van politie van 12 maart 2019, 18 maart 2019 en 20 maart 2019 en op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant 1] te [woonplaats 1] , [appellant 2] te [woonplaats 2] , [appellant 3] te [woonplaats 3] , [appellant 4] te [woonplaats 4] , [appellant 5] te [woonplaats 5] , [appellant 6] te [woonplaats 6] (appellanten) de korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 28 juni 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2068) heeft de Raad de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 27 juli 2016, 16/632 en 16/2376 (ECLI:NL:RBNHO:2016:7289), de rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2016, 16/865 en 2 juni 2017, 16/862 (ECLI:NL:RBMNE:2017:4919), de rechtbank Gelderland van 14 juni 2016, 16/621 (ECLI:NL:RBGEL:2016:3144) en de rechtbank Rotterdam van 7 november 2016, 16/674 (ECLI:NL:RBROT:2016:8379) en 16/749 (ECLI:NL:RBROT:2016:8470) vernietigd voor zover het betreft de beslissingen op bezwaar en de besluiten op de verzoeken om toekenning van de toelage bezwarende functie met terugwerkende kracht, de beslissingen op bezwaar op deze punten vernietigd, de korpschef opgedragen om op die punten opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen de nieuwe besluiten slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
ECLI:NL:CRVB:2018:2068
16/5784 AW, 16/5785 AW, 16/4858 AW, 16/7719 AW, 16/7721 AW, 17/102 AW, 17/5239 AW Datum uitspraak: 28 juni 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juli 2016, 16/632 en 16/2376, de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2016, 16/865 en van 2 juni 2017, 16/862, de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 juni 2016, 16/621 en de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2016, 16/674 en 16/749 (aangevallen uitspraken) Partijen: [Appellant 1] te [woonplaats 1] , [Appellant 2] te [woonplaats 2] , [Appellant 3] te [woonplaats 3] , [Appellant 4] te [woonplaats 4] , [Appellant 5] te [woonplaats 5] , [Appellant 6] te [woonplaats 6] (appellanten) de korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP Namens [Appellant 1] en [Appellant 2] heeft mr.
ECLI:NL:CRVB:2016:753
14/6591 AW Datum uitspraak: 3 maart 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 oktober 2014, 14/2215 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Economische Zaken (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.M. van den Boogerd-Zuijderwijk hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016.
ECLI:NL:CRVB:2015:4619
14/7193 AW Datum uitspraak: 17 december 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 november 2014, 13/7353 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Veiligheid en Justitie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H.H. Acun, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Namens appellant is mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

22626 AW Datum uitspraak: 19 januari 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2022, 21/3889 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP Namens appellant hebben mr. H.L.A. Ko en mr. F.H. Buvelot, advocaten, hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.

Ko. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Dedding en mr. J. Wegen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant werkt bij de politie en is in het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) geplaatst in de functie van [Functie] . Dit is een administratief-technische functie in het vakgebied Intelligence. Appellant krijgt sinds 1 juli 2018 een Toelage Bezwarende Functie (TBF). 1.2. Op 20 juli 2020 heeft appellant aan de korpschef verzocht om de TBF al toe te kennen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010.

Appellant heeft ter onderbouwing van dit verzoek verwezen naar een uitspraak van de Raad van 21 november 2019 die is gewezen in een procedure tussen de korpschef en enkele collega’s van appellant. In deze uitspraak heeft de Raad, na een eerdere uitspraak tussen dezelfde partijen op 28 juni 2018, geoordeeld dat de korpschef op grond van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel niet heeft mogen afzien van aanwijzing van alle administratief-technische functies in het vakgebied Intelligence als slijtende functies. De Raad heeft vervolgens zelf in de zaken voorzien door de verzoeken van deze collega’s om toekenning van een TBF met ingang van 1 januari 2010 toe te wijzen. 1.3.

Bij besluit van 17 december 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 april 2021 (bestreden besluit), heeft de korpschef het verzoek van appellant met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Subsidiair heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat sprake is van rechtsverwerking.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat artikel 4:6 van de Awb niet van toepassing is en dat hij niet wist of kon weten dat hem ten onrechte geen TBF was toegekend, zodat van berusting geen sprake is.

4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. In artikel 12c van het Besluit bezoldiging politie is bepaald aan welke ambtenaren, voor wie een salarisschaal geldt die lager is dan salarisschaal 12 van bijlage I, maandelijks een TBF wordt toegekend. Dit geldt onder meer voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van een politietaak en voor de ambtenaar, aangesteld voor administratieve, technische en andere taken ten dienste van de politie in een functie als bedoeld in artikel 10, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Artikel 10, derde lid van het Barp bepaalt dat indien de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en een door het bevoegd gezag aangewezen functie vervult waaraan volgens door de minister te stellen criteria de aanspraak op de toelage bezwarende functie, bedoeld in artikel 12c, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie, is verbonden, dit in de akte van aanstelling wordt vermeld. 4.2.

Appellant heeft, net als zijn collega’s in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Raad van 28 juni 2018 en 21 november 2019, in juni 2015 een salarisspecificatie ontvangen, waaruit hij kon opmaken dat hem geen TBF was toegekend. Deze salarisspecificatie houdt daarmee een weigering van een beslissing ten aanzien van een element van de periodieke salarisbetaling in die wel genomen had moeten zijn en is daarom aan te merken als een besluit. 4.3. Bij besluit van 10 juni 2016 is appellant met ingang van 1 juli 2016 geplaatst in de functie van [Functie] .

In dit besluit en de daarbij gevoegde brochure blijkt welke financiële gevolgen dit besluit voor hem heeft. In dit besluit is niet vermeld dat appellant een TBF is toegekend, terwijl in de bijgevoegde brochure staat dat dit in het besluit staat als daarop recht bestaat. 4.4. Bij besluit van 10 oktober 2018 is aan appellant met ingang van 1 juli 2018 een TBF toegekend. Aan de toekenning ligt, kort samengevat, ten grondslag dat per die datum sprake is van een aanstelling voor de uitvoering van de politietaak, waardoor op grond van artikel 12c van het Besluit bezoldiging politie recht bestaat op een TBF. 4.5.

Uit het voorgaande blijkt dat er meerdere besluiten zijn geweest waartegen appellant bezwaar had kunnen maken en waarbij hij had kunnen aanvoeren dat hem ten onrechte geen of niet eerder een TBF is toegekend. Dat appellant destijds niet op de hoogte was (gesteld) van de door enkele collega’s ingezette procedures over de TBF doet er niet aan af dat appellant die mogelijkheid had en daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Dit brengt mee dat de korpschef zijn aanvraag van 20 juli 2020 om hem over de periode van 1 januari 2010 tot 1 juli 2018 alsnog in aanmerking te brengen voor een TBF terecht heeft aangemerkt als een aanvraag waarop artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing is.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is en uit wat appellant heeft aangevoerd niet volgt dat het bestreden besluit evident onredelijk is, heeft de korpschef de aanvraag van appellant onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb mogen afwijzen. 4.6. De conclusie is dan ook dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en L.M. Tobé en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2023. (getekend) J.T.H. Zimmerman (getekend) I. van der Hout ECLI:NL:CRVB:2019:3826. ECLI:NL:CRVB:2018:2068. Vergelijk CRvB 3 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:753 en CRvB 17 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4619.