Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2023:1069 ECLI:NL:CRVB:2023:1069 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2023:1069 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2023:1069
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

22/1686 WAO, 22/1963 WAO22/2089 WAO-VV, 22/2567 WAO-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de verzoeken om herziening van de uitspraken van de Raad van 20 juni 2019, 17/4935 WAO, en 21 april 2022, 20/2798 WAO, 20/2800 WAO, 20/2801 WAO, 20/2802 WAO, 20/2803 WAO, op de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Awb en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 juni 2023 PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor vermelde uitspraken van de Raad van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2015, en 21 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1076 Verzoeker heeft voorts verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:81 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2023:1069 · Centrale Raad van Beroep: De gedingen 22/1686 WAO en 22/1963 WAO 4.3. Verzoeker heeft in beide gedingen geen feiten of omstandigheden aangevoerd die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak van 21 april 2022 respectievelijk 20 juni 2019 en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Reeds daarom voldoen de verzoeken niet aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gestelde eisen. Met wat verzoeker heeft aangevoerd probeert hij in feite opnieuw, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, de discussie te voeren over de zaken waarover onherroepelijk is beslist bij de uitspraak van 21 april 2022 respectievelijk 20 juni 2019.

Keywords

AI generated
artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:81 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:81 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2019:2015
174935 WAO Datum uitspraak: 20 juni 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2017, 16/3028 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.F.M. den Hollander, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019.
ECLI:NL:CRVB:2022:1076
202798 WAO, 20/2800 WAO, 20/2801 WAO, 20/2802 WAO, 20/2803 WAO Datum uitspraak: 21 april 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid en 8:108, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020, 20/821, 20/824, 20/825, 20/827 en 20/828 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 18 september 2020 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om van het door appellant ingestelde hoger beroep kennis te nemen.
ECLI:NL:CRVB:2023:413
22/2089 WAO-VV-W, 22/2567 WAO-VV-W Datum beslissing: 6 maart 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraken van de Raad van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2015, en 21 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1076. Verzoeker heeft daarbij verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2023. H.G. Rottier was daarbij de behandelend rechter.
ECLI:NL:CRVB:2020:2280
202798 WAO, 20/2800 WAO, 20/2801 WAO, 20/2802 WAO, 20/2803, 20/2871 WAO Datum uitspraak: 18 september 2020 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020, 20/821, 20/824, 20/825, 20/827 en 20/828 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek van 14 augustus 2020 om toepassing van artikel 8:81 van de Awb Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:CRVB:2015:1064
12/5240 WIA, 13/4861 WAO en 13/4862 WAO Datum uitspraak: 3 april 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2012, 12/967 (aangevallen uitspraak 1) en van 11 juli 2013 12/4286 en 13/91 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.J.M. Hamers, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1.
ECLI:NL:CRVB:2020:2056
18 5451 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 1 september 2020 Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 juni 2016, 16/2109, 16/2434 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het bestuur van het samenwerkingsverband Meerinzicht (bestuur) PROCESVERLOOP Als gevolg van de opheffing van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand en de vaststelling van een nieuwe gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2018 treedt in dit geding het bestuur in de plaats van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

22/1686 WAO, 22/1963 WAO22/2089 WAO-VV, 22/2567 WAO-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de verzoeken om herziening van de uitspraken van de Raad van 20 juni 2019, 17/4935 WAO, en 21 april 2022, 20/2798 WAO, 20/2800 WAO, 20/2801 WAO, 20/2802 WAO, 20/2803 WAO, op de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Awb en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 juni 2023 PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor vermelde uitspraken van de Raad van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2015, en 21 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1076 Verzoeker heeft voorts verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend.

Verzoeker heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2023. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel. Verzoeker heeft ter zitting een verzoek om wraking tegen de voorzieningenrechter ingediend. Hierna heeft de voorzieningenrechter het onderzoek ter zitting geschorst. Bij beslissing van 6 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:413, heeft de Raad het verzoek om wraking afgewezen. Op 31 mei 2023 is de zaak opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld, waar verzoeker is verschenen en waar het Uwv zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN 1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraken van 20 juni 2019 en 21 april 2022. Het geding 22/1686 WAO 2.1. Verzoeker heeft bij brief van 19 mei 2022 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 april 2022. Bij die uitspraak is het verzet van verzoeker tegen de uitspraak van de Raad van 18 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2280, ongegrond verklaard. De Raad heeft daartoe vastgesteld dat verzoeker in verzet niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 18 september 2020, waarbij de Raad zich onbevoegd heeft verklaard om van het door verzoeker ingestelde hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020 kennis te nemen, onjuist is.

Ook ambtshalve is de Raad niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot het oordeel leiden dat in dat geval het zogenoemde appelverbod moet worden doorbroken. 2.2. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening, kort samengevat, aangevoerd dat de rechtbank Rotterdam in de uitspraken van 15 juni 2020 en de Raad in de uitspraak van 18 september 2020 de feiten onjuist hebben vastgesteld dan wel onvoldoende op de hoogte waren van alle juiste feiten. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij tal van stukken ingediend. Het geding 22/1963 WAO 3.1.

Verzoeker heeft bij brieven van 19 mei 2022 en 7 juni 2022 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 juni 2019. Althans, zo worden deze weinig samenhangende brieven begrepen. In de uitspraak van 20 juni 2019 stond de vraag centraal of verzoeker bij zijn verzoek om terug te komen van een besluit van 2 maart 2000 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd. Volgens de Raad was dat niet het geval. Geen van de gegevens waarop door verzoeker is gewezen, is niet al bij de Raad in een eerdere procedure naar voren gebracht.

Hierbij is verwezen naar wat de Raad in zijn uitspraak van 3 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1064, heeft geoordeeld en overwogen. 3.2. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening, kort samengevat, andermaal gesteld dat hij het besluit van 2 maart 2000 niet heeft ontvangen. Hij heeft hierdoor schade geleden en het Uwv is hiervoor aansprakelijk. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker tal van stukken ingezonden.

4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. 4.1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, enc. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 4.2. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2056) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

De gedingen 22/1686 WAO en 22/1963 WAO 4.3. Verzoeker heeft in beide gedingen geen feiten of omstandigheden aangevoerd die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak van 21 april 2022 respectievelijk 20 juni 2019 en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Reeds daarom voldoen de verzoeken niet aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gestelde eisen. Met wat verzoeker heeft aangevoerd probeert hij in feite opnieuw, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, de discussie te voeren over de zaken waarover onherroepelijk is beslist bij de uitspraak van 21 april 2022 respectievelijk 20 juni 2019.

Verzoeker heeft dat ook ter zitting van 12 januari en 31 mei 2023 met zo veel woorden bevestigd. Het rechtsmiddel van herziening is daarvoor echter niet bedoeld. 4.4. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in titel 8.4 van de Awb. Uit artikel 8:119, tweede lid, van de Awb volgt dat deze titel niet van toepassing is op het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening. Dit betekent dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade alleen al hierom moet worden afgewezen. De gedingen 22/2089 WAO-VV, 22/2567 WAO-VV 4.5.

Omdat de verzoeken om herziening worden afgewezen, komen de verzoeken om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep - wijst de verzoeken om herziening af;- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van A.M. Geurtsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2023. (getekend) H.G. Rottier (getekend) A.M. Geurtsen