Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:991 ECLI:NL:CRVB:2022:991 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:991 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:991
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

213082 AKW Datum uitspraak: 22 april 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2021, 20/261 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A. Dinç, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2022. Namens appellante is mr. Dinç verschenen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:991 · Centrale Raad van Beroep: De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Tussen partijen is in geschil het recht op kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2019, waarbij de vraag voorligt of appellante op de peildata van deze kwartalen ingezetene van Nederland was. Nationaalrechtelijk juridisch kader 4.2. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld. 4.3.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2011:BP1466
Het geding in feitelijke instanties Bij besluit van 13 april 2006 heeft de Sociale verzekeringsbank de door belanghebbende ingediende aanvraag tot toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) afgewezen. De Sociale verzekeringsbank heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het recht op kinderbijslag over het jaar 2005. De Rechtbank te Amsterdam (nr. 07/70 AKW) heeft het tegen die beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar voor zover dat betrekking heeft op het recht op kinderbijslag over het jaar 2005 vernietigd. De Sociale verzekeringsbank heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad. De Centrale Raad heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2011:BP6285
Het geding in feitelijke instanties Bij besluit van 21 mei 2007 heeft de Sociale verzekeringsbank met ingang van het tweede kwartaal van het jaar 2007 aan belanghebbende kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) toegekend. De Sociale verzekeringsbank heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 07/7508 AKW) heeft het tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad. De Centrale Raad heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908
10/5647 Wajong Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 1 oktober 2010, 09/897 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 17 augustus 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. I. Baggerman-Scherpenisse, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012.
ECLI:NL:CRVB:2017:877
15/4852 AKW Datum uitspraak: 3 maart 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 juni 2015, 15/96 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.J.J. Schins, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017. Namens appellant is verschenen mr. L.M.E. Embregts, advocaat.
ECLI:NL:CRVB:2019:2182
18574 AKW Datum uitspraak: 20 juni 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2017, 17/3215 (aangevallen uitspraak Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L.N. Huizenga, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante heeft mr. Huizenga nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

213082 AKW Datum uitspraak: 22 april 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2021, 20/261 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A. Dinç, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2022. Namens appellante is mr. Dinç verschenen.

De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans. Beide partijen hebben via videobellen deelgenomen. OVERWEGINGEN 1. Appellante is op 18 maart 2019 vanuit Marokko naar Nederland gekomen in het kader van gezinshereniging met haar partner en zoon. Haar zoon, geboren in 2016, heeft de Nederlandse nationaliteit. Van feitelijke gezinshereniging is het niet gekomen en appellante is met haar zoon bij familie en kennissen ingetrokken. Op 1 augustus 2019 heeft appellante kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd.

In een besluit van 14 oktober 2019 heeft de Svb deze aanvraag afgewezen. In een beslissing van 6 december 2019 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens de Svb kan niet gezegd worden dat appellante, op de peildata van het derde en vierde kwartaal van 2019, een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Ze verbleef wel rechtmatig in Nederland, nu appellante per 24 juli 2019 over een vergunning tot verblijf als familielid van een EU-onderdaan beschikt, maar appellante woonde in bij familie en de Svb heeft niet kunnen vaststellen hoe ze in het levensonderhoud van haarzelf en haar zoon voorzag.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat op 1 juli 2019 appellante nog geen verblijfsvergunning of bijstandsuitkering had en evenmin beschikte over duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte. Op 1 oktober 2019 beschikte appellante wel over een verblijfsvergunning en een bijstandsuitkering, maar nog niet over duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte. Alle omstandigheden in onderling verband beziend kan, volgens de rechtbank, niet gezegd worden dat appellante op deze data al als ingezetene van Nederland aangemerkt kan worden. 3.1.

In hoger beroep heeft appellante in essentie haar standpunt herhaald dat zij al wel een duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland. Zij heeft steeds de intentie gehad en uitgesproken om in Nederland te blijven, om voor haar Nederlandse kind te zorgen. Zij kwam naar Nederland in het kader van gezinshereniging met haar partner en zoon, maar bij aankomst heeft haar partner haar zoon bij haar achtergelaten en is hij vertrokken. Zij had toen niet de middelen en mogelijkheden direct voor woonruimte en inkomen te zorgen. De vader van haar zoon is buiten beeld en draagt niet bij aan het onderhoud van het kind.

Dat zij op de data in geding geen zelfstandige woonruimte en geen inkomen had kan haar, gezien de omstandigheden, niet worden tegengeworpen. 3.2. De Svb bepleit een bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Tussen partijen is in geschil het recht op kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2019, waarbij de vraag voorligt of appellante op de peildata van deze kwartalen ingezetene van Nederland was. Nationaalrechtelijk juridisch kader 4.2. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld. 4.3.

Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van ingezetenschap op aan of de omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908. 4.4. De Raad heeft in zijn uitspraak van onder meer 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877, geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie had zich definitief in Nederland te vestigen.

Voorts heeft de Raad in onder meer de uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182, geoordeeld dat het beschikken over een duurzaam ter beschikking staande woonruimte een van de omstandigheden is die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling. Duurzame band van persoonlijke aard met Nederland 4.5.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb appellante op de peildata in geding terecht nog niet als ingezetene van Nederland heeft aangemerkt, omdat zij toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.

De rechtbank heeft, in overeenstemming met de in 4.3 en 4.4 genoemde rechtspraak, alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd. Terecht heeft de rechtbank van belang geacht dat appellante op 1 juli 2019 en 1 oktober 2019 nog maar kort in Nederland was en niet beschikte over een duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte. Appellante verbleef bij kennissen en familie. In ieder geval op 1 juli 2019 beschikte appellante nog niet over een eigen inkomen, Weliswaar ontving zij op 1 oktober 2019 een uitkering op grond van de Participatiewet, maar dat alleen maakt nog niet dat daarmee een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland is ontstaan. 4.5.2.

Ook de overige door appellante geschetste omstandigheden leidden ten tijde in geding niet tot een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, ook niet alle omstandigheden en feiten bij elkaar beoordeeld. Hieraan doet niet af dat appellante naar eigen zeggen geen band meer had met Marokko, omdat ze daar geen bezittingen meer had. Evenmin is daarbij doorslaggevend dat zij naar Nederland is gekomen om voor haar minderjarige zoon te zorgen, hoe begrijpelijk dat ook is. Zoals in 4.4 al is weergegeven is de intentie om in Nederland te blijven op zich niet voldoende om van een persoonlijke band van duurzame aard te kunnen spreken. 4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5.2 volgt dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2022. (getekend) T.L. de Vries (getekend) M.E. van Donk Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.