Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:986 ECLI:NL:CRVB:2022:986 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:986 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:986
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202740-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2020, 20/1441 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 26 april 2022 Zitting heeft: K.M.P. Jacobs Griffier: B. van Dijk Namens appellanten heeft mr. M. Gümüs, advocaat, via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:986 · Centrale Raad van Beroep: Jacobs Griffier: B. van Dijk Namens appellanten heeft mr. M. Gümüs, advocaat, via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202740-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2020, 20/1441 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 26 april 2022 Zitting heeft: K.M.P. Jacobs Griffier: B. van Dijk Namens appellanten heeft mr. M. Gümüs, advocaat, via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

L.T. Krabbenborg. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. In deze zaak ligt een boete voor. Die vloeit voort uit een schending van de inlichtingenverplichting, inhoudende dat appellanten te lang hebben verbleven in het buitenland, zonder dat verblijf in het buitenland te melden bij het college. De schending van de inlichtingenverplichting is niet in geschil. In geschil is ook niet dat daarbij sprake is van recidive. Appellanten voeren aan dat het hun niet of verminderd kan worden verweten dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden.

Zij hebben namelijk niet de intentie gehad om inlichtingen te verzwijgen en om op die wijze te zorgen voor benadeling. Deze grond slaagt niet. Het had appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de verblijven in het buitenland van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daarmee staat de verwijtbaarheid vast. Dat appellanten het vergeten waren door te geven komt voor hun rekening en het niet melden is dan ook volledig te verwijten. Het college moet dan een boete opleggen en de opgelegde boete is evenredig. Het hoger beroep slaagt dus niet en daarom is er ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) B. van Dijk (getekend) K.M.P. Jacobs