Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:910 ECLI:NL:CRVB:2022:910 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:910 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:910
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

195352 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 november 2019, 19/634 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (het college) Datum uitspraak: 19 april 2022 Zitting heeft: P.W. van Straalen Griffier: R. van der Maarel Appellante is niet verschenen ter zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Ottenheim.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:910 · Centrale Raad van Beroep: van Straalen Griffier: R. van der Maarel Appellante is niet verschenen ter zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Ottenheim.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

195352 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 november 2019, 19/634 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (het college) Datum uitspraak: 19 april 2022 Zitting heeft: P.W. van Straalen Griffier: R. van der Maarel Appellante is niet verschenen ter zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Ottenheim.

BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om een intrekking van bijstand per 10 december 2014 en een terugvordering van kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.984,36. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van bijschrijvingen door derden en van gokactiviteiten via de websites unibet.nl en beterbingo.nl, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Appellante voert aan dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld aan de hand van de bankafschriften. Die grond slaagt niet. Dat is al het geval omdat het college terecht stelt dat de bankafschriften geen volledige inzage bieden in de met de gokactiviteiten behaalde inkomsten. Hierbij is van belang dat de door Unibet verstrekte informatie niet correspondeert met de gegevens uit de bankafschriften en geen duidelijkheid is geboden over de inkomsten uit de gokactiviteiten bij Beterbingo. De Raad heeft appellante voorafgaand aan de zitting gevraagd haar standpunt op dit punt te onderbouwen.

Hieraan heeft zij geen gehoor gegeven. Ook is zij niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven. Appellante voert verder aan dat de terugvordering niet evenredig is. Die grond slaagt al niet omdat het college bij schending van de inlichtingenverplichting verplicht is tot intrekking en terugvordering van de bijstand over te gaan. Voor een toetsing aan de evenredigheid van de terugvordering is dan geen plaats. Dit betekent dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Voor een veroordeling in de kosten bestaat dan geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) R. van der Maarel (getekend) P.W. van Straalen