Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:832 ECLI:NL:CRVB:2022:832 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:832 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:832
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

21/3706 WIA, 22/104 WIA-VV Datum uitspraak: 11 april 2022 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 september 2021, 21/2591 WIA, 21/2592 WIA en 21/3085 WIA-VV, op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade. Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad van 13 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2394.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2022:832 · Centrale Raad van Beroep: Wat verzoeker heeft aangevoerd komt erop neer dat hij vindt dat de voorzieningenrechter van de Raad in de uitspraak van 13 september 2021 de feiten onjuist heeft vastgesteld. Hij heeft daarbij geen feiten of omstandigheden genoemd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, dat wil zeggen feiten of omstandigheden die hem vóór de uitspraak van 13 september 2021 niet bekend waren en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Hieruit volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 september 2021 moet worden afgewezen. 4.4.

Keywords

AI generated
artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2021:2394
212591 WIA, 21/2592 WIA, 21/3085 WIA-VV-PV Datum uitspraak: 13 september 2021 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 11 juni 2021, 20/1535, 20/3209 en 21/765 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om een voorlopige voorziening Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Zitting heeft:
ECLI:NL:CRVB:2016:820
14/1612 WIA Datum uitspraak: 9 maart 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 februari 2014, 13/1086 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Horsten-van Gemeren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016.
ECLI:NL:CRVB:2019:2869
183237 WIA Datum uitspraak: 21 augustus 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 mei 2018, 17/573 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden, waarbij hij tevens heeft verzocht om schadevergoeding en vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
ECLI:NL:CRVB:2020:2597
20 262 WIA Datum uitspraak: 26 oktober 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 december 2019, 19/167 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2020:2056
18 5451 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 1 september 2020 Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 juni 2016, 16/2109, 16/2434 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het bestuur van het samenwerkingsverband Meerinzicht (bestuur) PROCESVERLOOP Als gevolg van de opheffing van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand en de vaststelling van een nieuwe gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2018 treedt in dit geding het bestuur in de plaats van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

21/3706 WIA, 22/104 WIA-VV Datum uitspraak: 11 april 2022 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 september 2021, 21/2591 WIA, 21/2592 WIA en 21/3085 WIA-VV, op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade. Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad van 13 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2394.

Het Uwv heeft een reactie gegeven op dit verzoek. Verzoeker heeft voorts een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek is aangevuld op 3 februari 2022 en 24 maart 2022. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2022. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich, via een videoverbinding, laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. OVERWEGINGEN 1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 13 september 2021.

2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht stond de vraag centraal of verzoeker bij zijn verzoek om terug te komen van de besluiten van 4 april 2008 en 4 augustus 2009 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd. Volgens de voorzieningenrechter van de Raad was dat niet het geval. Alles wat verzoeker had aangevoerd, had hij ook al in eerdere procedures naar voren gebracht. Hierbij is verwezen naar wat de Raad in zijn eerdere uitspraken van 9 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:820), 21 augustus 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2869) en 27 oktober 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2597) heeft geoordeeld en overwogen.

3. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening, kort samengevat, gesteld dat het besluit van 4 april 2008, waarbij zijn WIA-aanvraag is opgeschort in verband met een verlengde loondoorbetalingsverplichting aan zijn toenmalige werkgever, onjuist is geweest. Daardoor heeft niet op het juiste moment een medische beoordeling plaatsgevonden en is bij besluit van 4 augustus 2009 een uitkering toegekend die is ingegaan op een verkeerde datum, op basis van een te laag dagloon wegens een onjuist vastgestelde referteperiode.

4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. 4.1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 4.2. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2056) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. 4.3.

Wat verzoeker heeft aangevoerd komt erop neer dat hij vindt dat de voorzieningenrechter van de Raad in de uitspraak van 13 september 2021 de feiten onjuist heeft vastgesteld. Hij heeft daarbij geen feiten of omstandigheden genoemd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, dat wil zeggen feiten of omstandigheden die hem vóór de uitspraak van 13 september 2021 niet bekend waren en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Hieruit volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 september 2021 moet worden afgewezen. 4.4.

Omdat het verzoek om herziening wordt afgewezen, komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking. 4.5. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in titel 8.4 van de Awb. Uit artikel 8:119, tweede lid, van de Awb volgt dat deze titel niet van toepassing is op het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening. Dit betekent dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade alleen al hierom moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep - wijst het verzoek om herziening af; - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2022. (getekend) B.J. van de Griend (getekend) A.L.K. Dagmar