Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:755 ECLI:NL:CRVB:2022:755 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:755 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:755
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

203629 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 september 2020, 20/153 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 29 maart 2022 Zitting heeft: P.W. van Straalen Griffier: Y.S.S. Fatni Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J.J. Straver. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:755 · Centrale Raad van Beroep: Appellant wijst er verder op dat de stortingen géén terugkerend of periodiek karakter hebben en dat – zo begrijpt te Raad – de terugvordering leidt tot onredelijke financiële gevolgen. Bedragen die zijn gestort en bedragen die zijn bijgeschreven door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:1450
13/1081 WWB Datum uitspraak: 7 mei 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 16 januari 2013, 12/1518 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Almere (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I. Aynan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en, op verzoek van de Raad, nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015.
ECLI:NL:CRVB:2020:3351
192923 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2019, 18/6167 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 22 december 2020 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.J. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, nadere stukken ingediend. Het college heeft nadere stukken ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2017:1055
15/334 WWB, 15/6010 WWB Datum uitspraak: 7 maart 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2014, 14/2466 (aangevallen uitspraak 1) en van 24 juli 2014 (lees: 2015), 15/1319 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

203629 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 september 2020, 20/153 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 29 maart 2022 Zitting heeft: P.W. van Straalen Griffier: Y.S.S. Fatni Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J.J. Straver. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in hoger beroep om de herziening en de terugvordering van kosten van bijstand in verband met twee kasstortingen van respectievelijk € 500,- en € 450,-. Het college heeft die bedragen als inkomen in aanmerking genomen. De gronden in hoger beroep komen er op neer dat het praktisch onmogelijk is voor appellant om concrete en verifieerbare bewijsstukken over te leggen om de herkomst van de kasstortingen aannemelijk te maken. Hij verdient het voordeel van de twijfel.

Appellant wijst er verder op dat de stortingen géén terugkerend of periodiek karakter hebben en dat – zo begrijpt te Raad – de terugvordering leidt tot onredelijke financiële gevolgen. Bedragen die zijn gestort en bedragen die zijn bijgeschreven door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.

Dit is vaste rechtspraak (uitspraken van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450 en van 22 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3351). Eenmalig ontvangen bedragen kunnen ook als inkomen worden aangemerkt. Ook dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055). Voor de vraag of een middel als inkomen kan worden aangemerkt is onder meer van belang of de bron naar zijn aard overeenkomt met de in artikel 32, eerste lid, van de PW vermelde inkomensbronnen. Bij kasstortingen geldt dat sprake is van contante bedragen waarvan de herkomst en daarmee de inkomensbron in beginsel onduidelijk is.

Indien het bedrag van de kasstorting kan worden aangewend voor de voorziening in het levensonderhoud, moet het bedrag daarom in beginsel worden aangemerkt als inkomen. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat het bedrag van de kasstorting geen inkomen in de zin van de PW is. Appellant is daarin niet geslaagd. Dat het voor appellant zeer moeilijk is hiervan bewijs te leveren komt voor zijn rekening en risico en leidt niet tot een andere uitkomst. Ook het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien slaagt niet.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. Appellant heeft wel gesteld, maar niet duidelijk gemaakt wat de dringende redenen zijn om in zijn geval af te zien van terugvordering.

Dit alles betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) Y.S.S. Fatni (getekend) P.W. van Straalen