Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:692 ECLI:NL:CRVB:2022:692 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:692 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:692
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

203400 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2020, 18/2339 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 24 maart 2022 PROCESVERLOOP [appellant] heeft op 4 september 2020 hoger beroep ingesteld. De brief met het rappel griffierecht is op 2 juli 2021 bij het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak retour ontvangen onder de vermelding dat appellant is overleden.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:692 · Centrale Raad van Beroep: De Raad heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant van 21 december 2021 aangekondigd dat het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 10 februari 2022. Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2022. Beide partijen waren daarbij niet aanwezig. OVERWEGINGEN Bij brief van 20 september 2021 is aan de erven van [appellant] , per brief aan het laatst bekende adres van [appellant] , verzocht binnen vier weken een verklaring van erfrecht in te dienen. Bij aangetekende brief van 21 oktober 2021 is aan de erven van [appellant] nogmaals de gelegenheid geboden de verklaring van erfrecht in te zenden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

203400 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2020, 18/2339 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 24 maart 2022 PROCESVERLOOP [appellant] heeft op 4 september 2020 hoger beroep ingesteld. De brief met het rappel griffierecht is op 2 juli 2021 bij het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak retour ontvangen onder de vermelding dat appellant is overleden.

De Raad heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant van 21 december 2021 aangekondigd dat het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 10 februari 2022. Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2022. Beide partijen waren daarbij niet aanwezig. OVERWEGINGEN Bij brief van 20 september 2021 is aan de erven van [appellant] , per brief aan het laatst bekende adres van [appellant] , verzocht binnen vier weken een verklaring van erfrecht in te dienen. Bij aangetekende brief van 21 oktober 2021 is aan de erven van [appellant] nogmaals de gelegenheid geboden de verklaring van erfrecht in te zenden.

Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en zijn de erven van [appellant] erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep niet in behandeling wordt genomen. Vervolgens is op 31 december 2021 een aankondiging van de zitting in de Staatscourant geplaatst. Er heeft zich niemand gemeld als erfgenaam van [appellant] Niet is gebleken van erfgenamen die betrokken zijn als partij en die deze zaak zouden willen voortzetten. Ook na de aankondiging in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij te mogen deelnemen.

Er is dan ook niet langer belang bij een beoordeling van het hoger beroep van [appellant] Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2022.