Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:498 ECLI:NL:CRVB:2022:498 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:498 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:498
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

21863 PW, 21/864 PW Datum uitspraak: 8 maart 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2021, 20/3824 en 20/4001 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft [X.] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:498 · Centrale Raad van Beroep: De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Voor een weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. 4.2. Het is vaste rechtspraak (uitspraken van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL3332 en 24 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7571) dat voor de berekening van het netto-inkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz 2004 moet worden uitgegaan van het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat, de nettowinst, van de onderneming. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 4.3.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2010:BL3332
08/5613 BZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 augustus 2008, 07/282 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College) Datum uitspraak: 26 januari 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7571
10/1481 BBZ 10/1482 BBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hogere beroepen van: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27januari 2010, 09/266 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellanten en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen en (hierna: College) Datum uitspraak: 24 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Appellanten hebben hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep van appellant is geregistreerd onder nummer 10/1481 BBZ en dat van appellante onder 10/1482 BBZ.
ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1498
ABW 1994/452 U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Commissie Sociale Zekerheidsgeschillen van de provincie Noord-Holland, gedaagde.
ECLI:NL:CRVB:2012:BV5142
10/5746 WAZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 september 2010, 10/1669 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Datum uitspraak: 15 februari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft J.J.G. van der Voort hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2012.
ECLI:NL:CRVB:2014:1073
12/4761 BBZ Datum uitspraak: 1 april 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 juli 2012, 12/3649 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Delft (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft T. Oskam hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

21863 PW, 21/864 PW Datum uitspraak: 8 maart 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2021, 20/3824 en 20/4001 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft [X.] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant exploiteert sinds 2006 een klusbedrijf. Het college heeft, voor zover van belang, appellanten over de periode van 12 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 en de periode van 1 januari 2017 tot en met 11 oktober 2017 bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) toegekend in de vorm van een renteloze lening. 1.2. Bij afzonderlijke besluiten van 16 april 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 9 juni 2020 (bestreden besluit 1) en 15 juni 2020 (bestreden besluit 2), heeft het college het recht op bijstand van appellanten over het boekjaar 2016 en 2017 definitief vastgesteld en met toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 een bedrag van respectievelijk € 3.781,52 en € 974,88 van appellanten teruggevorderd.

Het college heeft bij de vaststelling van het definitieve recht op bijstand over de jaren 2016 en 2017 en het in dat kader te berekenen netto-inkomen aansluiting gezocht bij de door appellanten in hun belastingaangifte gemaakte keuze met betrekking tot het privégebruik van de bedrijfsauto.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben daartoe aangevoerd dat het opstellen van een aan de Belastingdienst te overleggen sluitende rittenadministratie voor hen niet uitvoerbaar was en dat daarom een bijtelling voor privégebruik bedrijfsauto niet te voorkomen was. Deze bijtelling betreft een fictief bedrag en is niet een werkelijk besteedbaar inkomen. Volgens appellanten was hun werkelijk besteedbare inkomen lager dan het bestaansminimum.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Voor een weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. 4.2. Het is vaste rechtspraak (uitspraken van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL3332 en 24 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7571) dat voor de berekening van het netto-inkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz 2004 moet worden uitgegaan van het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat, de nettowinst, van de onderneming. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 mei 1995, ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1498) mogen privé-kosten niet ten laste van de bedrijfswinst worden gebracht. Volgens eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV5142) komt bij de vaststelling van het inkomen als bedoeld in het Bbz 2004 in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuzes, tenzij bijzondere omstandigheden afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. 4.4. Het college heeft voor de vaststelling van het netto-inkomen over de jaren 2016 en 2017 mogen aansluiten bij de door appellanten in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze betreffende het privégebruik van de bedrijfsauto.

Dat daarbij sprake is van een zogenaamde fiscale bijtelling is geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in 4.2. Vaststaat dat appellant zijn bedrijfsauto ook privé heeft gebruikt en dat hij daarvan om hem moverende redenen geen zogeheten kilometeradministratie heeft bijgehouden. Zoals eerder geoordeeld (uitspraak van 1 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1073) dient dit voor rekening en risico van appellanten te komen. 4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2022. (getekend) A.J. Schaap (getekend) T. Ali