Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:316 ECLI:NL:CRVB:2022:316 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:316 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:316
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201459 ZVW Datum uitspraak: 17 februari 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2020, 19/1537 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats], Frankrijk (appellante) CAK PROCESVERLOOP Namens appellante heeft haar echtgenoot, [naam echtgenoot], hoger beroep ingesteld. CAK heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2022. Namens appellante heeft [naam echtgenoot] deelgenomen door middel van beeldbellen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:316 · Centrale Raad van Beroep: Noch de Zvw, noch de Regeling biedt ruimte om af te wijken van deze berekeningssystematiek. De rechtbank heeft vastgesteld dat CAK bij de berekening van de grondslag van de buitenlandbijdrage de in de artikelen 69, tweede lid, van de Zvw in samenhang met de artikelen 6.3.1 tot en met 6.3.4 van de Regeling voorgeschreven systematiek heeft gehanteerd. Binnen het systeem van de scheiding van de staatsmachten kan de rechtvaardigheid en eventuele ongelijkheid van een door de wetgever uitdrukkelijk bepaalde rekenmethode, niet door de bestuursrechter worden gewogen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:3128
14/2525 ZVW, 14/2526 ZVW Datum uitspraak: 9 september 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2014, 12/759 en 13/4090 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (Italië) (appellant) Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) werden uitgeoefend.
ECLI:NL:CRVB:2015:3129
131661 ZVW, 13/1808 ZVW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2013, 12/1697 en 12/1698 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Betrokkene] te [woonplaats], Frankrijk (betrokkene) Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz) Datum uitspraak: 9 september 2015 PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend.
ECLI:NL:CRVB:2015:3132
11/7460 ZVW, 12/2145 ZVW Datum uitspraak: 9 september 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 december 2011, 10/1454 (aangevallen uitspraak) Partijen: het Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor Zorgverzekeringen (Cvz) [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) werden uitgeoefend.
ECLI:NL:CRVB:2016:1241
14/6031 ZVW en 14/6032 ZVW Datum uitspraak: 6 april 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2014, 12/5124 en 12/5127 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant) Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201459 ZVW Datum uitspraak: 17 februari 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2020, 19/1537 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats], Frankrijk (appellante) CAK PROCESVERLOOP Namens appellante heeft haar echtgenoot, [naam echtgenoot], hoger beroep ingesteld. CAK heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2022. Namens appellante heeft [naam echtgenoot] deelgenomen door middel van beeldbellen.

CAK heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is geboren in 1943 en woont sinds 2005 in Frankrijk. Zij ontvangt ouderdomspensioen uit Nederland. 1.2. Appellante heeft op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 recht op zorg in haar woonland (Frankrijk) ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is zij op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage). 1.3. CAK heeft op 12 september 2018 de voorlopige jaarafrekening van de door appellante verschuldigde buitenlandbijdrage voor het jaar 2017 vastgesteld op € 1.608,34.

CAK heeft de buitenlandbijdrage gebaseerd op een nominaal deel, een inkomensafhankelijk deel berekend overeenkomstig de bijdrage verschuldigd op grond van de Zvw (Zvw-deel) en een inkomensafhankelijk deel berekend overeenkomstig de premie verschuldigd op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz-deel). Bij de berekening van het Wlz-deel heeft CAK de algemene heffingskorting en de ouderenkorting toegepast waardoor dit Wlz-deel uitkwam op nihil. De aldus bepaalde grondslag is vermenigvuldigd met de zogenaamde woonlandfactor voor Frankrijk (0,8245). 1.4.

Bij besluit van 22 januari 2019 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar tegen de voorlopige jaarafrekening van 12 september 2018 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van appellante betrekking heeft op de wijze waarop bij de berekening van de buitenlandbijdrage toepassing is gegeven aan de heffingskortingen en de woonlandfactor. Allereerst heeft de rechtbank erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad in de Zvw en de Regeling zorgverzekering (Regeling) dwingend is voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage moet worden berekend.

Noch de Zvw, noch de Regeling biedt ruimte om af te wijken van deze berekeningssystematiek. De rechtbank heeft vastgesteld dat CAK bij de berekening van de grondslag van de buitenlandbijdrage de in de artikelen 69, tweede lid, van de Zvw in samenhang met de artikelen 6.3.1 tot en met 6.3.4 van de Regeling voorgeschreven systematiek heeft gehanteerd. Binnen het systeem van de scheiding van de staatsmachten kan de rechtvaardigheid en eventuele ongelijkheid van een door de wetgever uitdrukkelijk bepaalde rekenmethode, niet door de bestuursrechter worden gewogen.

Omdat CAK de dwingendrechtelijk voorgeschreven berekeningssystematiek op de juiste wijze heeft toegepast kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat de beroepsgronden niet kunnen slagen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft de in beroep aangevoerde gronden herhaald en acht de wettelijke rekenmethode van de buitenlandbijdrage onrechtvaardig. Volgens appellante hanteert CAK een andere definitie van heffingskortingen dan de Belastingdienst en past CAK de heffingskortingen ten onrechte alleen toe bij de berekening van de (fictieve) Wlz-premie. Volgens appellante moet voor de berekening van de buitenlandbijdrage de volledige grondslag verminderd worden met de heffingskortingen en vervolgens vermenigvuldigd worden met de woonlandfactor.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellante betrekking heeft op de berekening van de buitenlandbijdrage, in het bijzonder de wijze waarop bij deze berekening de heffingskortingen zijn toegepast. 4.2. In eerdere uitspraken heeft de Raad de berekeningswijze van de buitenlandbijdrage uiteengezet en toegelicht (zie de uitspraken van 9 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3128, ECLI:NL:CRVB:2015:3129 en ECLI:NL:CRVB:2015:3132). 4.3. Op grond van artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering wordt het inkomensafhankelijke Wlz-deel van de buitenlandbijdrage berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Wlz en verminderd met de toepasselijke heffingskortingen.

CAK heeft met deze heffingskortingen rekening gehouden waardoor het Wlz-deel van de grondslag is vastgesteld op nihil. De heffingskortingen hebben geen betrekking op het Zvw-deel en het nominale deel van de grondslag. Anders dan appellante veronderstelt komen heffingskortingen niet in mindering op premies die een ingezetene van Nederland verschuldigd is op grond van de Zvw (vergelijk de uitspraak van de Raad van 6 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1241, rechtsoverweging 4.7). Reeds daarom is geen sprake van een ongerechtvaardigd verschil tussen ingezetenen en niet-ingezetenen. 4.4.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de beroepsgronden van appellante niet kunnen slagen gelet op de dwingend voorgeschreven berekeningssystematiek. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2022. (getekend) J.P.A. Boersma (getekend) E.J. van der Veldt