Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:299 ECLI:NL:CRVB:2022:299 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:299 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:299
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

177752 WIA Datum uitspraak: 3 februari 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2017, 17/2823 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:299 · Centrale Raad van Beroep: Hangende het hoger beroep van appellant heeft het Uwv bij besluit van 27 oktober 2021 aan appellant per 10 november 2015 een IVA-uitkering toegekend. Nu er als gevolg van de nadere besluitvorming van het Uwv geen geschil meer resteert, heeft appellant geen procesbelang meer bij een uitspraak op het hoger beroep en zal hij in dat beroep nietontvankelijk worden verklaard. 1.3. De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de nog na te betalen uitkering. Voor de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. 1.4.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958
09/1136 WW en 11/3428 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2009, 07/3119 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 25 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010.
ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009
05/1789 WAO 08/4026 WAO-S Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het verzoek om schadevergoeding van: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: betrokkene) met als partijen: betrokkene en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat) Datum uitspraak: 26 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2003, 03/3543, in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:
ECLI:NL:CRVB:2022:9
211638 WIA Datum uitspraak: 3 januari 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2021, 20/140 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika) (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

177752 WIA Datum uitspraak: 3 februari 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2017, 17/2823 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban. Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft drs. R. el Seady, KNO-arts, benoemd als onafhankelijke deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 20 augustus 2021 heeft drs. El Seady een rapport uitgebracht. Appellant heeft hierop gereageerd. Bij besluit van 27 oktober 2021 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 10 november 2015 alsnog een IVA-uitkering toegekend.

In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Partijen hebben desgevraagd niet verklaard op een nadere zitting te willen worden gehoord. Daarop is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Bij besluit van 17 november 2016 is appellant bericht dat zijn WGA-vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ongewijzigd wordt voortgezet, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij beslissing op bezwaar van 29 maart 2017 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 november 2016 gegrond verklaard en de WGA-vervolguitkering per 10 november 2015 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. 1.2.

Hangende het hoger beroep van appellant heeft het Uwv bij besluit van 27 oktober 2021 aan appellant per 10 november 2015 een IVA-uitkering toegekend. Nu er als gevolg van de nadere besluitvorming van het Uwv geen geschil meer resteert, heeft appellant geen procesbelang meer bij een uitspraak op het hoger beroep en zal hij in dat beroep nietontvankelijk worden verklaard. 1.3. De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de nog na te betalen uitkering. Voor de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. 1.4.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 1.5. In het geval van appellant is de redelijke termijn geëindigd op het moment dat het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt, te weten 27 oktober 2021 (zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:9).

Vanaf de ontvangst door het Uwv op 13 december 2016 van het bezwaarschrift tot de bekendmaking van het besluit van 27 oktober 2021 zijn ruim vier jaar en tien maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 12 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van de het Uwv minder dan zes maanden geduurd.

Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-. 2.1. Er is aanleiding om de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep te vergoeden. Deze kosten worden begroot op € 1.518,- in beroep en op € 1.897,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Er bestaat tevens aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Deze kosten worden begroot op € 379,50 (1 punt met wegingsfactor 0,5) in verband met de indiening van het verzoek. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding. Dit betekent dat de proceskosten in totaal € 3.795,- bedragen. 2.2. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; - veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente zoals onder 1.3 is vermeld; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 3.795,-; - bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant vergoedt; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2022. (getekend) E. Dijt (getekend) L.R. Kokhuis