Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:285 ECLI:NL:CRVB:2022:285 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:285 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:285
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

20 3601 WIA Datum uitspraak: 27 januari 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2020, 18/3808 Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft mr. E.W. van Voolen, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1869. Verzoeker heeft daarbij stukken ingediend. Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:285 · Centrale Raad van Beroep: In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. 4.3. In wat verzoeker naar voren heeft gebracht, bestaat geen reden om het verzoek om herziening toe te wijzen. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Uit de uitspraak van 13 augustus 2020 blijkt dat het rapport van 9 januari 2020 van Van Rijn bij de beoordeling in hoger beroep is betrokken.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2020:1869
183808 WIA Datum uitspraak: 13 augustus 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 mei 2018, 17/4783 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.W. van Voolen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een expertiserapport van drs. C.J. van Rijn, register psycholoog ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2015:1615
13/6370 BBZ Datum uitspraak: 26 mei 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 december 2012, 10/3472 Bbz Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college) PROCESVERLOOP Verzoekster heeft herziening gevraagd van de uitspraak van de Raad van 11 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5821. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 april 2015. Verzoekster is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN 1. Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Wab) in werking getreden. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wab blijft het recht zoals dit gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op een verzoek om herziening van een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

20 3601 WIA Datum uitspraak: 27 januari 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2020, 18/3808 Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft mr. E.W. van Voolen, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1869. Verzoeker heeft daarbij stukken ingediend. Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021. Namens verzoeker is mr. Van Voolen verschenen. Het Uwv is niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.1. Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het Uwv verzoeker een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. 1.2. Verzoeker heeft zich op 7 juli 2016 bij het Uwv gemeld vanwege een verslechterde gezondheid. Bij besluit van 31 maart 2017 heeft het Uwv na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek vastgesteld dat verzoeker 47,88% arbeidsongeschikt wordt geacht, dat dit leidt tot de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-80% en dat zijn WIA-uitkering tot 1 april 2019 niet wijzigt.

Bij besluit van 19 oktober 2017 heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 31 maart 2017 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 mei 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland het beroep van verzoeker tegen het besluit van 19 oktober 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij zijn uitspraak van 13 augustus 2020 heeft de Raad deze uitspraak van 24 mei 2018 bevestigd. De Raad heeft de overwegingen van de rechtbank over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de daaruit voortvloeiende conclusies onderschreven. Het door verzoeker in hoger beroep ingebrachte expertiserapport van 9 januari 2020 van registerpsycholoog drs. C.J. van Rijn heeft niet geleid tot een ander oordeel. Van Rijn heeft geconcludeerd dat bij verzoeker onder meer sprake was van stoornissen in de concentratie en het geheugen alsmede dat verzoeker energetisch beperkt was.

De conclusies in het rapport, dat afkomstig is van een psycholoog en niet van een arts, staan haaks op de conclusies van psychiater J.T.M. van Griensven, die als reden van de opname een medicatieswitch noemt en vermeldt dat de aandacht van verzoeker goed te trekken en te behouden is en dat er een laag suïciderisico is. Het advies luidt activatie en het inschakelen van de huisarts bij oplopende spanningen. Ook de verzekeringsartsen en verzekeringsartsen bezwaar en beroep van het Uwv en de door het Uwv ingeschakelde deskundige hebben geen stoornissen in concentratie en geheugen geconstateerd.

Deze artsen hebben verzoeker onderzocht dicht bij de datum in geding. De Raad heeft overwogen dat Van Rijn in zijn rapport niet heeft aangegeven hoe hij tot zijn afwijkende conclusies is gekomen en niet inzichtelijk gemaakt op welke onderzoeksmethoden hij zich heeft gebaseerd. 3.1. Verzoeker heeft zijn herzieningsverzoek gebaseerd op de stelling dat hij gegevens heeft aangedragen die, als deze gegevens de Raad bekend zouden zijn geweest, tot een andere uitkomst hadden geleid. Verzoeker heeft een rapport van 6 oktober 2020 van registerpsycholoog Van Rijn ingediend, waarin Van Rijn onder meer heeft gesteld dat de weergave van zijn diagnose in de uitspraak van 13 augustus 2020 onvolledig en daarmee onjuist is en waarin Van Rijn zijn onderzoeksmethode nader heeft omschreven en toegelicht.

Verzoeker heeft gesteld dat aan het rapport van Van Rijn van 9 januari 2020 te weinig aandacht is besteed en te weinig waarde is gehecht. Verder heeft verzoeker gesteld dat behandeling of onderzoek door psychiater Van Griensven niet heeft plaatsgevonden en dat dit niet eerder bekend was. 3.2. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen.

4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 4.2. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1615) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen.

In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. 4.3. In wat verzoeker naar voren heeft gebracht, bestaat geen reden om het verzoek om herziening toe te wijzen. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Uit de uitspraak van 13 augustus 2020 blijkt dat het rapport van 9 januari 2020 van Van Rijn bij de beoordeling in hoger beroep is betrokken.

Het rapport van Van Rijn van 6 oktober 2020 is van na de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht en bevat geen feiten en omstandigheden die redelijkerwijs niet eerder bekend konden zijn. De gronden van het verzoek om herziening komen erop neer dat verzoeker opnieuw de discussie probeert te voeren over de zaak waarover is beslist bij de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2020. Zoals is overwogen in 4.2 is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening daarvoor niet gegeven en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. 4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van 13 augustus 2020 moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2022. (getekend) M.E. Fortuin (getekend) S.C. Scholten