Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:2825 ECLI:NL:CRVB:2022:2825 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:2825 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:2825
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

221420 ZVW, 22/1421 ZVW, 22/1423 ZVW, 22/1425 ZVW Datum uitspraak: 22 december 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 25 april 2022, 18/205, 18/8436, 19/2871 en 19/7973 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) Het CAK (CAK) PROCESVERLOOP Appellant heeft de hoger beroepen ingesteld. Het CAK heeft verweerschriften ingediend. Appellant heeft nadere stukken aan de Raad toegestuurd. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:2825 · Centrale Raad van Beroep: Bij besluit op bezwaar van 11 december 2018 heeft CAK het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. 1.5. In de procedure onder nummer 22/1423 ZVW heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 24 januari 2019 vastgestelde definitieve jaarafrekening over 2015. Bij besluit op bezwaar van 18 april 2019 heeft het CAK het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. 1.6. In de procedure onder nummer 22/1425 ZVW heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 9 augustus 2019 vastgestelde voorlopige jaarafrekening over 2018. Bij besluit op bezwaar van 20 november 2019 heeft het CAK het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2011:BU7137
09/2013 ZFW e.v. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), wonende te [woonplaats], België, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2009, 07/4442 e.v. (hierna: aangevallen uitspraak), in de gedingen tussen: appellanten en het College voor zorgverzekeringen (hierna: Cvz) Datum uitspraak: 13 december 2011 I. PROCESVERLOOP Ingevolge artikel II, tweede lid, aanhef en onder b, van de - met ingang van 1 augustus 2008 in werking getreden - Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met de rechtsgang bij inhouding van de bijdrage van verdragsgerechtigden (rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden) (Stb. 278) is Cvz als procespartij in aanhangige gedingen in de plaats getreden van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna:
ECLI:NL:CRVB:2014:1858
13/3669 ZVW, 13/3670 ZVW, 13/4770 ZVW Datum uitspraak: 23 mei 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2013, 12/3925 en 12/3926 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te België (appellanten) Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz) PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de “Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg” (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend.
ECLI:NL:CRVB:2017:67
14/4374 ZVW, 14/4375 ZVW, 14/5192 ZVW, 14/5193 ZVW, 14/5194 ZVW, 14/5195 ZVW, 14/5196 ZVW, 14/5890 ZVW en 16/3068 ZVW Datum uitspraak: 6 januari 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2014, 13/4252 en 13/4253, van 15 augustus 2014, 13/7265, 13/7267, 13/7268, 13/7269 en 14/442, van 25 september 2014, 14/1673 en van 15 april 2016, 15/83 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellant] (appellant) en de erven en/of rechtverkrijgenden van [naam] te België (appellanten) het Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz) PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend.
ECLI:NL:CRVB:2019:584
163272 ZVW, 16/4076 ZVW, 16/4077 ZVW, 17/1406 ZVW, 17/4205 ZVW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2016, 15/8232, van 27 mei 2016, 15/6408 en 15/6409, van 13 januari 2017, 16/2264 en van 31 mei 2017, 16/8120 (aangevallen uitspraken) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] , België (appellant) CAK (CAK) Datum uitspraak: 21 februari 2019 PROCESVERLOOP Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend.
ECLI:NL:CRVB:2020:2447
194063 ZVW Datum uitspraak: 12 oktober 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 september 2019, 17/2298 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) CAK PROCESVERLOOP Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK ook verstaan Zorginstituut Nederland. Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad toegestuurd.
ECLI:NL:CRVB:2022:1259
21/3138 ZVW, 21/3268 ZVW, 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW, 21/3142 ZVW en 21/3141 ZVW Datum uitspraak: 2 juni 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 augustus 2021, 20/7655, 20/5293 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op de verzoeken om herziening van de uitspraken van de Raad van 13 december 2011, 09/2013 ZFW e.v., 23 mei 2014, 13/3669 ZVW, 6 januari 2017, 14/4374 ZVW, 21 februari 2019, 16/3272 ZVW en 12 oktober 2020, 19/4063 ZVW Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant en verzoeker, verder te noemen [appellant]) CAK (CAK) PROCESVERLOOP [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 augustus 2021 (procedurenummers bij de Raad 21/3138 ZVW en 21/3268 ZVW) en tegelijkertijd verzocht om herziening van de uitspraken van de Raad van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7137, van 23 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1858, van 6 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:67, van 21 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:584 en van 12 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2447 (procedurenummers bij de Raad respectievelijk 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW, 21/3142 ZVW en 21/3141 ZVW).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

221420 ZVW, 22/1421 ZVW, 22/1423 ZVW, 22/1425 ZVW Datum uitspraak: 22 december 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 25 april 2022, 18/205, 18/8436, 19/2871 en 19/7973 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) Het CAK (CAK) PROCESVERLOOP Appellant heeft de hoger beroepen ingesteld. Het CAK heeft verweerschriften ingediend. Appellant heeft nadere stukken aan de Raad toegestuurd. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.

Daarna heeft de Raad op 8 november 2022 het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is geboren op [geboortedatum] 1934 en woonde sinds 1994 in België. Sinds 1 juli 2020 woont appellant weer in Nederland. Hij ontvangt vanaf 1999 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en een pensioen van [naam B.V.] Niet in geschil is dat appellant geen betaalde werkzaamheden in België heeft verricht en uitsluitend uit Nederland een wettelijk pensioen geniet. 1.2. Ingevolge de – met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden – Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant in de periode waarin hij in België woonde als verdragsgerechtigde aangemerkt en had hij, oorspronkelijk met toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en vanaf 1 mei 2010 met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004), recht op zorg in het woonland België, ten laste van pensioenland Nederland.

Voor dit recht op zorg was op grond van artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage) die werd ingehouden op het pensioen van appellant. 1.3. In de procedure onder nummer 22/1420 ZVW heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 30 augustus 2017 vastgestelde voorlopige jaarafrekening over 2016. Bij besluit op bezwaar van 12 december 2017 heeft het CAK het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. 1.4. In de procedure onder nummer 22/1421 ZVW heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 31 augustus 2018 vastgestelde voorlopige jaarafrekening over 2017.

Bij besluit op bezwaar van 11 december 2018 heeft CAK het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. 1.5. In de procedure onder nummer 22/1423 ZVW heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 24 januari 2019 vastgestelde definitieve jaarafrekening over 2015. Bij besluit op bezwaar van 18 april 2019 heeft het CAK het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. 1.6. In de procedure onder nummer 22/1425 ZVW heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 9 augustus 2019 vastgestelde voorlopige jaarafrekening over 2018. Bij besluit op bezwaar van 20 november 2019 heeft het CAK het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken de beroepen van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunten, die hij ook in eerdere procedures naar voren heeft gebracht, herhaald. Appellant blijft van mening dat hij ten onrechte als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat het CAK daarom geen buitenlandbijdrage heeft mogen heffen dan wel (laten) inhouden op zijn pensioen. Als hoofdargument voert appellant aan dat hij niet onder het bereik van Vo 883/2004 valt omdat hij destijds in 1994 niet als arbeidsmigrant naar België is verhuisd en daar ook nooit heeft gewerkt. Verder heeft appellant betoogd dat de heffing van de buitenlandbijdrage een ontoelaatbare inbreuk op zijn verblijfsrecht in België heeft gemaakt en dat zijn situatie vergelijkbaar is met die in het arrest Hoogstad van 26 oktober 2016.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Primair is tussen partijen in hoger beroep in geschil of het CAK over de in geschil zijnde jaren ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een buitenlandbijdrage heeft mogen heffen dan wel (laten) inhouden op het pensioen van appellant. Meer specifiek is hierbij de vraag aan de orde of appellant terecht als zogenoemde verdragsgerechtigde is aangemerkt. Dit geschilpunt is ook aan de orde geweest in eerdere procedures die appellant heeft gevoerd met betrekking tot jaarafrekeningen over eerdere jaren, die hebben geleid tot de uitspraken van 13 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU7137), van 23 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1858), van 6 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:67), van 21 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:584), van 12 oktober 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2447) en van 2 juni 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1259). 4.2.

Ook in de onderhavige gedingen wordt appellant in zijn betoog niet gevolgd. Kortheidshalve wordt verwezen naar de onder 4.1 genoemde uitspraken waarin de Raad op de toepasselijkheid van Vo 883/2004 en zijn voorganger Verordening (EEG) nr. 1408/71 is ingegaan. Opgemerkt wordt nog dat onder Vo 883/2004 de personele werkingssfeer expliciet is uitgebreid naar alle onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie op wie de socialezekerheidswetgeving van een lidstaat van toepassing is of is geweest. Buiten kijf staat dat dit laatste ook het geval is in de situatie van appellant nu hij ten tijde in geding een AOWpensioen uit Nederland ontving. 4.3.

Op de overige argumenten van appellant is de Raad ook in de onder 4.1 genoemde eerdere uitspraken ingegaan. Kortheidshalve wordt naar die uitspraken verwezen. 4.4. De hoger beroepen slagen niet en de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2022. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) P. Boer Arrest C-269/15, ECLI:EU:C:2016:802.