Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2022:2744 ECLI:NL:CRVB:2022:2744 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:2744 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2022:2744
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

211657 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2021, 20/5498 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 13 december 2022 Zitting heeft: mr. E.J.M. Heijs Griffier: F.C. Meershoek Voor appellant is mr. N. Talhaoui, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Breure. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2022:2744 · Centrale Raad van Beroep: E.J.M. Heijs Griffier: F.C. Meershoek Voor appellant is mr. N. Talhaoui, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Breure. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

211657 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2021, 20/5498 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 13 december 2022 Zitting heeft: mr. E.J.M. Heijs Griffier: F.C. Meershoek Voor appellant is mr. N. Talhaoui, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Breure. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag van appellant om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van een volkstuin (€ 1.172,37). Aan de beslissing op bezwaar van 7 september 2020 (bestreden besluit) heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten niet noodzakelijk zijn en niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Bij de aangevallen uitspaak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eén van de voorwaarden om voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen is dat de kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat aan deze voorwaarde is voldaan. De stelling dat de noodzaak voortvloeit uit de aard en ernst van zijn klachten en de volkstuin voorkomt dat zijn klachten verergeren, heeft hij niet met medische stukken onderbouwd. De stelling dat zijn volkstuin noodzakelijk is wegens zijn sociaal isolement, treft evenmin doel. Appellant heeft niet onderbouwd waarom het standpunt van het college, dat het gestelde sociaal isolement ook op andere manieren kan worden voorkomen, onjuist is.

In dit verband heeft het college er overigens nog op gewezen dat appellant al vanaf 8 oktober 2018 ondersteuning ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in de vorm van een pgb-budget voor het sociaal en persoonlijk functioneren. Appellant heeft ook gesteld dat het op de weg van het college lag om, gelet op zijn sociaal isolement, te onderzoeken welke kosteloze optie dan wel in de rede lag om de aanvraag rechtmatig te kunnen afwijzen. Ook die stelling kan hem niet baten. Het is immers aan appellant als aanvrager van de bijzondere bijstand om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden is voldaan.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal.