ECLI:NL:CRVB:2022:2669 · Centrale Raad van Beroep
Legislator summary
AI generatedDatum uitspraak: 13 december 2022 20/2065 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 april 2020, 19/2604 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft op 3 januari 2022 het primaire besluit van 28 november 2018 ingetrokken.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:75 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2022:2669 · Centrale Raad van Beroep: J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft op 3 januari 2022 het primaire besluit van 28 november 2018 ingetrokken.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
Datum uitspraak: 13 december 2022 20/2065 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 april 2020, 19/2604 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft op 3 januari 2022 het primaire besluit van 28 november 2018 ingetrokken.
Bij brief van 16 januari 2022 heeft mr. J.P.C.M. van Es namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft in zijn reactie van 9 februari 2022 aangegeven het niet onredelijk te achten dat het in de proceskosten wordt veroordeeld. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het college met het intrekken van het besluit van 28 november 2018 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.518,- in beroep en € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het college wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.277,-. Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van D. van der Boom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2022. (getekend) C.E.M. Marsé (getekend) D. van der Boom