04/4738 WAO · Centrale Raad van Beroep
Legislator summary
AI generatedE N K E L V O U D I G E K A M E R 04/4738 WAO U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats], opposant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING De Raad heeft bij uitspraak van 26 januari 2005 het namens opposant ingestelde hoger beroep tegen een ten aanzien van hem gegeven uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 augustus 2004, nummer AWB 04/451, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:55 van de Awb; 04/4738 WAO · Centrale Raad van Beroep: I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING De Raad heeft bij uitspraak van 26 januari 2005 het namens opposant ingestelde hoger beroep tegen een ten aanzien van hem gegeven uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 augustus 2004, nummer AWB 04/451, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/4738 WAO U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats], opposant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING De Raad heeft bij uitspraak van 26 januari 2005 het namens opposant ingestelde hoger beroep tegen een ten aanzien van hem gegeven uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 augustus 2004, nummer AWB 04/451, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Tegen die uitspraak heeft mr. M.M. Enneking, advocaat te ’s-Hertogenbosch, namens opposant een verzetschrift ingediend. II. MOTIVERING Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of het hoger beroep bij zijn uitspraak van 26 januari 2005 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad heeft geconstateerd, zoals tevens door de gemachtigde van opposant in het verzetschrift is aangegeven, dat het verschuldigde griffierecht op 19 oktober 2004, derhalve tijdig, is betaald. Uit het vorenstaande volgt dat het namens opposant gedane verzet gegrond dient te worden verklaard.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Met toepassing van artikel 8:55 van de Awb wordt daarom beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet gegrond. Aldus gegeven door mr. J. Janssen, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2005. (get.) J.
Janssen. (get.) D.W.M. Kaldenhoven.