Legislator Case Law & Legislation
03/3226 WUV ECLI:NL:CRVB:2005:AT4390 AI generated

03/3226 WUV · Centrale Raad van Beroep

Case Number 03/3226 WUV
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

03/3226 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], Ca 91770 (USA), eiser, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 25 april 2003, kenmerk JZ/U70/2003/0252, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiser op in het beroepschrift - met bijlagen - vermelde gronden, welke bij schrijven van 16 februari 2004 zijn aangevuld, bij de Raad beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht; 03/3226 WUV · Centrale Raad van Beroep: Verweerster heeft een verweerschrift ingediend en stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 maart 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen met bijstand van zijn zuster [naam zuster], terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiser, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in september 2000 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem te erkennen als vervolgde dan wel hem met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet, met een vervolgde gelijk te stellen, en hem als zodanig een periodieke uitkering te verlenen.

Keywords

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

03/3226 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], Ca 91770 (USA), eiser, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 25 april 2003, kenmerk JZ/U70/2003/0252, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiser op in het beroepschrift - met bijlagen - vermelde gronden, welke bij schrijven van 16 februari 2004 zijn aangevuld, bij de Raad beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend en stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 maart 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen met bijstand van zijn zuster [naam zuster], terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiser, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in september 2000 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem te erkennen als vervolgde dan wel hem met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet, met een vervolgde gelijk te stellen, en hem als zodanig een periodieke uitkering te verlenen.

In dit verband heeft eiser, onder meer, gewezen op de transgenerationele gevolgen voor zijn psychische gezondheid van hetgeen zijn vader in Japanse krijgsgevangenschap heeft moeten meemaken. Deze aanvraag heeft verweerster bij besluit van 14 december 2001, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het nu bestreden besluit, afgewezen op de grond, samengevat, dat eiser zelf geen vervolging heeft ondergaan terwijl voorts niet is kunnen blijken van bij eisers vader in verband met zijn vervolging ontstane psychische klachten, zodat enig verband tussen eisers psychische klachten en de vervolgingsgevolgen bij zijn vader niet is vast te stellen.

In beroep heeft eiser zich met name gekeerd tegen verweersters opvatting dat niet is gebleken van bij zijn vader als gevolge van diens vervolging ontstane psychische klachten. In dit verband is onder meer verwezen naar een overgelegde verklaring van een vroegere huisarts van het gezin en naar een over eiser zelf opgemaakt psychologisch rapport. In dit geding is aan de orde de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. In vaste rechtspraak heeft de Raad onderschreven het standpunt van verweerster dat in gevallen als het onderhavige het beschikbaar zijn van objectieve medische gegevens over de psychische gezondheid van de ouder(s) essentieel is om te kunnen beoordelen of van transgenerationele gevolgen voor het kind sprake is.

Vaststaat dat zodanige gegevens over eisers vader ontbreken. Integendeel zijn, naar blijkt uit door verweerster nader overgelegde stukken, bij de (medische) beoordeling van een door eisers vader zelf in 1975 op grond van de Wet ingediende aanvraag juist geen psychische klachten naar voren gekomen. In dit licht kan de Raad aan de door eiser overgelegde, op basis van herinnering opgestelde verklaring van de vroegere huisarts geen gewicht toekennen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het overgelegde psychologisch rapport over eiser zelf. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. O.D.J.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) J.P. Grauss.