Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2005:AT0639 ECLI:NL:CRVB:2005:AT0639 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2005:AT0639 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2005:AT0639
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

03/4254 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 juli 2003, reg.nr. 03/250 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft daarop schriftelijk gereageerd en nadere stukken aan de Raad gezonden. Vervolgens heeft ook gedaagde nog stukken aan de Raad gezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar appellant is verschenen en waar gedaagde zich - met voorafgaande bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2005:AT0639 · Centrale Raad van Beroep: Bij besluit van 21 januari 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen de brief van 8 oktober 2002 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan ligt ten grondslag het standpunt van gedaagde dat de brief van 8 oktober 2002 slechts een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inhoudt, voorzover appellant daarbij niet is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw. Nu het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op de kwalificatie “boetewaardig gedrag”, is het volgens gedaagde niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Keywords

AI generated
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 1:3 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht
Hieraan ligt ten grondslag het standpunt van gedaagde dat de brief van 8 oktober 2002 slechts een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inhoudt, voorzover appellant daarbij niet is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw.
artikel 1:3 van de Awb
Nu het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op de kwalificatie “boetewaardig gedrag”, is het volgens gedaagde niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

03/4254 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 juli 2003, reg.nr. 03/250 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft daarop schriftelijk gereageerd en nadere stukken aan de Raad gezonden. Vervolgens heeft ook gedaagde nog stukken aan de Raad gezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar appellant is verschenen en waar gedaagde zich - met voorafgaande bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING Bij brief aan appellant van 8 oktober 2002 heeft gedaagde: 1 bepaald dat appellant recht heeft op ongewijzigde voortzetting van de hem toegekende uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw); 2 medegedeeld dat is gebleken dat appellant in strijd met de ingevolge artikel 65 van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting een op zijn naam staande bankrekening bij de SNS Bank niet aan gedaagde heeft opgegeven en dat dit als boetewaardig gedrag wordt beschouwd; 3 bepaald dat appellant, in afwachting van een nader in te winnen medisch advies van de GGD, voorlopig (nog) is vrijgesteld van de in artikel 113, eerste lid, van de Abw vermelde arbeidsverplichtingen, met uitzondering van de verplichting om als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen geregistreerd te zijn en te blijven.

Bij besluit van 21 januari 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen de brief van 8 oktober 2002 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan ligt ten grondslag het standpunt van gedaagde dat de brief van 8 oktober 2002 slechts een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inhoudt, voorzover appellant daarbij niet is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw. Nu het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op de kwalificatie “boetewaardig gedrag”, is het volgens gedaagde niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van gedaagde geheel onderschreven en het beroep tegen het besluit van 21 januari 2003 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad stelt voor de goede orde allereerst vast dat - anders dan gedaagde en de rechtbank hebben aangenomen - niet alleen onderdeel 3. maar ook inderdeel 1. van de brief van 8 oktober 2002 een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb inhoudt. De Raad stelt vervolgens vast dat het bezwaar van appellant tegen de brief van 8 oktober 2002 uitsluitend betrekking heeft op de kwalificatie “boetewaardig gedrag”.

Die kwalificatie is, zoals uit het vorenstaande voortvloeit, ook naar het oordeel van de Raad niet gericht op enig rechtsgevolg. Gedaagde heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voorzover hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd mede betrekking heeft op andere besluiten van gedaagde dan dat van 21 januari 2003 moet de Raad daaraan voorbijgaan, nu het in de aangevallen uitspraak vervatte oordeel van de rechtbank op die andere besluiten geen betrekking heeft. Nu het beroep niet gegrond wordt verklaard, is het verzoek van appellant om gedaagde te veroordelen tot schadevergoeding niet voor toewijzing vatbaar.

De Raad zal dit verzoek daarom afwijzen. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af. Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005. (get.) drs. Th.G.M. Simons. (get.) P.C. de Wit. RB0703