Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2005:AS6249 ECLI:NL:CRVB:2005:AS6249 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2005:AS6249 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2005:AS6249
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/6188 ALGEM U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposante], gevestigd te [vestigingsplaats], opposante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 25 maart 2004 is het namens opposante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2003 niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:75 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2005:AS6249 · Centrale Raad van Beroep: I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 25 maart 2004 is het namens opposante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2003 niet-ontvankelijk verklaard.

Keywords

AI generated
artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:75 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:75 van de Awb
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/6188 ALGEM U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposante], gevestigd te [vestigingsplaats], opposante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 25 maart 2004 is het namens opposante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2003 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft mr. H.J.S.M. Nuijten, werkzaam bij Mazars Paardekooper Hoffman te Rotterdam, een verzetschrift ingediend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 9 december 2004, waar opposante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Nuijten, en waar geopposeerde, zoals tevoren bericht, zich niet heeft laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De uitspraak van de Raad van 25 maart 2004 steunt kort samengevat hierop, dat de beroepsgronden niet binnen de door de Raad bij aangetekend schrijven van 22 januari 2004 gestelde termijn van twee weken zijn binnengekomen en dat niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging zouden kunnen vormen voor dit verzuim.

In dit geding is de vraag of het hoger beroep van opposante terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven. In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen merkt de Raad op dat de gestelde termijn inhield dat de beroepsgronden uiterlijk op donderdag 5 februari 2004 hadden moeten worden ingediend. De gronden zijn eerst ontvangen op maandag 9 februari 2004. Niet is komen vast te staan dat het - niet aangetekend verzonden - aanvullend beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.

Het poststempel is onleesbaar. Dit komt voor risico van opposante. Het namens opposante ingenomen standpunt dat het hoger beroep met betrekking tot de boetenota’s geen motivering behoeft deelt de Raad niet. Niet valt in te zien waarom het aanvoeren van gronden tegen de uitspraak waarvan hoger beroep, in zou moeten houden dat oppasante aan haar eigen “veroordeling” meewerkt. Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht ongegrond te verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005. (get.) G. van der Wiel. (get.) R.E. Lysen.