Legislator Case Law & Legislation
04/3011 WW ECLI:NL:CRVB:2004:AR8941 AI generated

04/3011 WW · Centrale Raad van Beroep

Case Number 04/3011 WW
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/3011 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam van 21 april 2004, nr AWB 04/59 WWV, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft van verweer gediend. Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend behandeling ter zitting achterwege te laten.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 van de Awb; 04/3011 WW · Centrale Raad van Beroep: De in geding zijnde vraag of appellant in zijn beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard beantwoordt de Raad bevestigend en voegt daar nog aan toe dat artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen van toepassing kan worden geacht indien het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. Het poststempel op de enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden, vermeldt de datum 7 januari 2004. Bij gebreke van enige concrete aanwijzing voor het tegendeel moet de Raad er dan ook, met de rechtbank, van uitgaan dat de terpostbezorging eerst op 7 januari 2004 heeft plaatsgevonden.

Keywords

AI generated
artikel 8:75 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 van de Awb
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/3011 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam van 21 april 2004, nr AWB 04/59 WWV, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft van verweer gediend. Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend behandeling ter zitting achterwege te laten.

II. MOTIVERING Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroep niet tijdig is ingediend, terwijl niet is gebleken van enige omstandigheid waardoor redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. In hoger beroep heeft appellant -samengevat- aangevoerd dat hij het beroepschrift tijdig per post heeft verzonden en dat het beroepschrift binnen een week na verzending door de rechtbank is ontvangen. Een verklaring voor de datum van de poststempel TPG Post kan appellant niet geven.

De in geding zijnde vraag of appellant in zijn beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard beantwoordt de Raad bevestigend en voegt daar nog aan toe dat artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen van toepassing kan worden geacht indien het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. Het poststempel op de enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden, vermeldt de datum 7 januari 2004. Bij gebreke van enige concrete aanwijzing voor het tegendeel moet de Raad er dan ook, met de rechtbank, van uitgaan dat de terpostbezorging eerst op 7 januari 2004 heeft plaatsgevonden.

Gelet hierop komt de aangevallen uitspraak dan ook voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2004. (get.) M.A. Hoogeveen. (get.) M.D.F. de Moor.