Legislator Case Law & Legislation
03/5826 WAO ECLI:NL:CRVB:2004:AR7316 AI generated

03/5826 WAO · Centrale Raad van Beroep

Case Number 03/5826 WAO
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

03/5826 WAO U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposante], wonende te [woonplaats], opposante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Opposante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op25 september 2003, nr. WAO 02/2876-NIFT, tussen partijen gegeven uitspraak. Bij uitspraak van 5 maart 2004 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:11 van de Awb, artikel 8:55 van de Awb, artikel 8:75 van de Awb; 03/5826 WAO · Centrale Raad van Beroep: I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Opposante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op25 september 2003, nr. WAO 02/2876-NIFT, tussen partijen gegeven uitspraak. Bij uitspraak van 5 maart 2004 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Keywords

AI generated
artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6:11 van de Awb artikel 8:55 van de Awb artikel 8:75 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht
03/5826 WAO U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposante], wonende te [woonplaats], opposante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
artikel 6:11 van de Awb
De Raad stelt verder vast dat, mede gelet op hetgeen door opposante ter zitting is verklaard, niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het indienen van het beroepschrift buiten de beroepstermijn met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verontschuldigd kan worden.
artikel 8:55 van de Awb
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet, in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van de Awb ongegrond te worden verklaard.
artikel 8:75 van de Awb
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

03/5826 WAO U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposante], wonende te [woonplaats], opposante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Opposante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op25 september 2003, nr. WAO 02/2876-NIFT, tussen partijen gegeven uitspraak. Bij uitspraak van 5 maart 2004 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposante is van die uitspraak in verzet gekomen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 oktober 2004, waar opposante in persoon is verschenen en waar geopposeerde -zoals was aangekondigd- zich niet heeft laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of hij bij zijn uitspraak van 5 maart 2004 terecht heeft geoordeeld dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is te achten. Hetgeen in het verzetschrift en door opposante ter zitting is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan hetwelk is neergelegd in zijn uitspraak van 5 maart 2004.

De Raad stelt vast dat opposante, gezien de dagtekening van het beroepschrift, op 12 november 2003, voor het einde van de beroepstermijn, welke afliep op 18 november 2003, heeft kennis genomen van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De Raad merkt voorts nog op dat door opposante niet is aangetoond dat het beroepschrift, blijkens de poststempel op de enveloppe, pas op 24 november 2003 ter post is bezorgd. De Raad stelt verder vast dat, mede gelet op hetgeen door opposante ter zitting is verklaard, niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het indienen van het beroepschrift buiten de beroepstermijn met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verontschuldigd kan worden.

Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet, in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van de Awb ongegrond te worden verklaard. Gelet op het zesde lid van laatstgenoemd artikel blijft de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M.

Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2004. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) H.H.M. Ho.