Legislator Case Law & Legislation
04/844 AOW ECLI:NL:CRVB:2004:AR3431 AI generated

04/844 AOW · Centrale Raad van Beroep

Case Number 04/844 AOW
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/844 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats] (Australië), appellante, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:5 van de Awb, artikel 4:6 van de Awb, artikel 8:75 van de Awb; 04/844 AOW · Centrale Raad van Beroep: I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank.

Keywords

AI generated
artikel 4:5 van de Awb artikel 4:6 van de Awb artikel 8:75 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:5 van de Awb
Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
artikel 4:6 van de Awb
Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
artikel 8:75 van de Awb
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/844 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats] (Australië), appellante, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank.

In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2003, nr. AWB 02/4196 AOW, waarbij het door haar ingestelde beroep tegen gedaagdes besluit van 12 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond is verklaard. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 augustus 2004, waar appellante - met kennisgeving - niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.

B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

Bij besluit van 10 februari 1997 heeft gedaagde afwijzend beslist op een aanvraag van appellante om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 18 februari 2002 heeft appellante een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Zij heeft daarbij aangevoerd een zelfstandig recht op ouderdomspensioen te willen opbouwen. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

Appellante had haar wens een eigen pensioen op te bouwen reeds in 1997 kunnen aanvoeren en behoren aan te voeren, daargelaten dat zij niet heeft bestreden dat zij in het jaar voorafgaand aan de eerste aanvraag niet verplicht verzekerd was en reeds daarom niet in aanmerking komt voor toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de AOW en de Anw. Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 10 februari 1997.

In hetgeen door appellante is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Gelet op het vorenstaande moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2004. (get.) T.L. de Vries. (get.) J.J.B. van der Putten.