Legislator Case Law & Legislation
04/561 WAO ECLI:NL:CRVB:2004:AR1574 AI generated

04/561 WAO · Centrale Raad van Beroep

Case Number 04/561 WAO
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/561 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2003, reg.nr. AWB 03/621, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft de Raad nog een medische verklaring doen toekomen, welke op 13 juli 2004 door de Raad is ontvangen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:8 van de Awb, artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht; 04/561 WAO · Centrale Raad van Beroep: De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Overeenkomstig artikel 6:8 van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid van de Awb, is een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Keywords

AI generated
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6:8 van de Awb artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
artikel 6:8 van de Awb
Overeenkomstig artikel 6:8 van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/561 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2003, reg.nr. AWB 03/621, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft de Raad nog een medische verklaring doen toekomen, welke op 13 juli 2004 door de Raad is ontvangen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juli 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Gedaagde heeft bij besluit van 16 mei 2002 de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, per 1 april 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Appellant is bij een op 26 juni 2002 gedateerd schrijven, welke op 1 juli 2002 ter post is bezorgd, van dit besluit in bezwaar gekomen. Het bezwaar is, naar gedaagde stelt, op 8 juli 2002 ontvangen. Gevraagd naar de reden van de overschrijding van de bezwaartermijn heeft appellant geantwoord dat hij wegens ziekte genoodzaakt was het bed te houden. Gedaagde heeft de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar geacht en heeft bij het bestreden besluit van 18 november 2002 appellants bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Ter verontschuldiging van de termijnoverschrijding in bezwaar heeft appellant in beroep, onder overlegging van een op 27 november 2002 gedateerde medische verklaring van de neuro-psychiater Ben Brahim, aangevoerd dat hij aan geheugen- en concentratiestoor-nissen lijdt, die hem belet zouden hebben bezwaar te maken.

Appellant zou voor deze stoornissen reeds enkele maanden in behandeling zijn. Gedaagde heeft in verband hiermee aanleiding gezien het dossier aan een bezwaarverzekeringsarts voor te leggen. Deze bezwaarverzekeringsarts merkte in zijn rapportage op dat nu door appellant in beroep een andere reden voor de termijnoverschrijding wordt opgegeven dan in bezwaar, een en ander niet geloofwaardiger is geworden. Voorts blijkt uit de overgelegde medische verklaring naar zijn oordeel niet dat appellant in juni/juli 2002 aan geheugen- en concentratiestoornissen leed.

De bezwaarverzekeringsarts is evenmin uit andere in het kader van de WAO opgemaakte medische rapportages over appellant gebleken van deze stoornissen. Gedaagde heeft daarop zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt gehandhaafd. De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven. In hoger beroep heeft appellant wederom gesteld dat hij in verband met psychische problemen niet in staat is zijn belangen juist waar te nemen en de overschrijding van de bezwaartermijn mede te wijten is aan het feit dat hij zijn bezwaarschrift per aangetekende post heeft verstuurd.

De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Overeenkomstig artikel 6:8 van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid van de Awb, is een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Door appellant wordt niet betwist dat het besluit van 16 mei 2002 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en op die dag door gedaagde is verzonden. Tevens staat vast dat het besluit door appellant is ontvangen. Derhalve dient te worden aangenomen dat de bezwaartermijn op 17 mei 2002 is aangevangen en op 27 juni 2002 is geëindigd. Nu appellant zijn op 26 juni 2002 gedateerde bezwaarschrift eerst op 1 juli 2002, na afloop van de bezwaartermijn, ter post heeft bezorgd, is het bezwaar te laat. Naar het oordeel van de Raad kunnen de door appellant ter verontschuldiging van de termijnoverschrijding aangevoerde redenen de overschrijding van de bezwaartermijn niet verontschuldigen.

De Raad merkt daarbij op dat uit de door appellant overgelegde medische verklaringen niet blijkt dat hij gedurende de bezwaartermijn aan geheugen- en concentratiestoornissen leed, die hem beletten zijn belangen waar ten nemen. Noch heeft appellant met medische verklaringen onderbouwd dat hij gedurende deze periode genoodzaakt was het bed te houden. De Raad merkt daarbij ten overvloede op dat van appellant verwacht mocht worden dat hij voor een eventuele periode gedurende welke hij zijn belangen niet had kunnen waarnemen een zaakwaarnemer had aangesteld.

Evenmin kan de Raad inzien dat door het aangetekend versturen van het bezwaarschrift de bezwaartermijn zou zijn overschreden. Appellant heeft zijn bezwaar immers, zoals uit een kopie van de enveloppe waarin het bezwaarschrift is verstuurd blijkt, eerst op 1 juli 2002 ter post aangeboden. Het voorgaande doet de Raad overwegen dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is en gedaagde appellant derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard heeft in zijn bezwaar. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2004. (get.) H. van Leeuwen. (get.) M.B.M. Vermeulen. RG