Legislator Case Law & Legislation
03/3539 WW ECLI:NL:CRVB:2004:AQ9870 AI generated

03/3539 WW · Centrale Raad van Beroep

Case Number 03/3539 WW
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

03/3539 WW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: de erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], opposanten en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 29 oktober 2003 is het namens opposanten ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2003, nummer AWB 02/895 WW, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de daartoe gestelde termijn is betaald.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:55 van de Awb; 03/3539 WW · Centrale Raad van Beroep: I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 29 oktober 2003 is het namens opposanten ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2003, nummer AWB 02/895 WW, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de daartoe gestelde termijn is betaald.

Keywords

AI generated
artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:55 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:55 van de Awb
Met toepassing van artikel 8:55 van de Awb wordt daarom beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

03/3539 WW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: de erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], opposanten en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 29 oktober 2003 is het namens opposanten ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2003, nummer AWB 02/895 WW, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de daartoe gestelde termijn is betaald.

Tegen deze uitspraak heeft mr. A.D. Sunter, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van opposanten bij brief van 4 december 2003 een verzetschrift (met bijlagen) ingediend. II. MOTIVERING De Raad heeft uit de inmiddels beschikbaar gekomen gegevens afgeleid dat het verschuldigde griffierecht op 4 september 2003, derhalve tijdig, is betaald. Uit het vorenstaande volgt dat het namens opposanten gedane verzet gegrond dient te worden verklaard. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Met toepassing van artikel 8:55 van de Awb wordt daarom beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet gegrond. Aldus gegeven door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2004. (get.) H.G. Rottier. (get.) D.W.M. Kaldenhoven.