Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8138 ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8138 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8138 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8138
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

02/2767 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 april 2002, reg.nr. 01/1006 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2004, waar appellant is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.L.M. Meijers, werkzaam bij de gemeente Brunssum.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8138 · Centrale Raad van Beroep: MOTIVERING Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Bij besluit van 18 juli 2000 heeft gedaagde, voorzover hier van belang, het recht op uit-kering van appellant ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b van de Abw over de periode van 1 december 1999 tot en met 30 juni 2000 herzien wegens in die periode genoten inkomsten uit zogeheten rechtwaarden, opgebouwd in de periode van 2 augustus 1999 tot 10 november 1999.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

02/2767 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 april 2002, reg.nr. 01/1006 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2004, waar appellant is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.L.M. Meijers, werkzaam bij de gemeente Brunssum.

II. MOTIVERING Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Bij besluit van 18 juli 2000 heeft gedaagde, voorzover hier van belang, het recht op uit-kering van appellant ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b van de Abw over de periode van 1 december 1999 tot en met 30 juni 2000 herzien wegens in die periode genoten inkomsten uit zogeheten rechtwaarden, opgebouwd in de periode van 2 augustus 1999 tot 10 november 1999.

Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 maart 2001 heeft gedaagde vervolgens, voorzover hier van belang, de over de periode van 1 december 1999 tot en met 30 juni 2000 ten onrechte aan appellant betaalde bijstand tot een bedrag van f 1.698,27 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 11 september 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 maart 2001 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 september 2001 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Volgens vaste rechtspraak staat, nu het besluit tot herziening van het recht op uitkering in rechte onaantastbaar is geworden, vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor terug-vordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Gedaagde was dan ook gehouden de aldus ten onrechte aan appellant betaalde bijstand terug te vorderen. Alle in hoger beroep door appellant aangevoerde grieven (waaronder het betoog dat gedaagde zo te werk had moeten gaan, dat de uitkering van appellant - slechts - zou zijn ingetrokken voor de afzonderlijke dagen waarop de inkomsten uit de rechtwaarden telkens betrekking hadden) kunnen - reeds - om deze reden niet tot aantasting van het besluit tot terugvor-dering leiden.

De hoogte van het teruggevorderde bedrag is als zodanig door appellant niet betwist. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. ’t Hooft en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr.

I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2004. (get.) Th.G.M. Simons. (get.) I.D. Veldman. GdJ 108