Legislator Case Law & Legislation
03/1339 AW ECLI:NL:CRVB:2004:AP5463 AI generated

03/1339 AW · Centrale Raad van Beroep

Case Number 03/1339 AW
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

03/1339 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2003, nr. AW 02/1098 ENG, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 13 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht; 03/1339 AW · Centrale Raad van Beroep: Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2004. (get.) J.C.F. Talman. (get.) P.M. Okyay-Bloem.

Keywords

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

03/1339 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2003, nr. AW 02/1098 ENG, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 13 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen.

Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.J. Overgaauw en mr. D.J. Brauckmann, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam. II. MOTIVERING 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant was sedert 1990 adviserend geneeskundige bij de Gemeentelijke gezondheidsdienst voor Rotterdam en omstreken (GGD). Eind 1996 zijn problemen ontstaan in de arbeidsrelatie. Deze hebben ertoe geleid dat appellant vanaf augustus 1998 zijn functie niet meer daadwerkelijk heeft uitgeoefend en dat hem met ingang van 1 juli 2000 eervol ontslag is verleend. 1.2.

Appellant heeft verzocht om toekenning van periodieke salarisverhogingen over de tijdvakken 1996-1997, 1997-1998, 1998-1999 en 1999-2000. Bij besluit van 13 september 2000 heeft gedaagde geweigerd dit verzoek in behandeling te nemen. Bij het bestreden besluit van 25 maart 2002 heeft gedaagde, na bezwaar, alsnog de gevraagde periodieken aan appellant toegekend. 1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens, kort gezegd, het ontbreken van procesbelang.

2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat gedaagde bij het bestreden besluit volledig en onvoorwaardelijk aan het bezwaar van appellant is tegemoetgekomen. Wat betreft de toekenning van de periodieken bestond derhalve tussen partijen geen geschil meer. De wens van appellant om alsnog een motivering te verkrijgen voor het aanvankelijk achterwege blijven van periodieke verhogingen, valt daarmee buiten het door het bestreden besluit bepaalde kader en kan een inhoudelijke beoordeling van dit besluit door de bestuursrechter niet rechtvaardigen. Dat tussen partijen onenigheid bestaat over het aan appellant verleende ontslag, maakt het vorenstaande niet anders. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2004. (get.) J.C.F. Talman. (get.) P.M. Okyay-Bloem.