Legislator Case Law & Legislation
03/5375 NABW ECLI:NL:CRVB:2004:AP4586 AI generated

03/5375 NABW · Centrale Raad van Beroep

Case Number 03/5375 NABW
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/5375 NABW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats], opposant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 2 maart 2004 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 30 oktober 2003, reg.nr. 03/1039 en 03/1186, niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht; 03/5375 NABW · Centrale Raad van Beroep: I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 2 maart 2004 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 30 oktober 2003, reg.nr. 03/1039 en 03/1186, niet-ontvankelijk verklaard.

Keywords

AI generated
artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/5375 NABW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats], opposant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 2 maart 2004 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 30 oktober 2003, reg.nr. 03/1039 en 03/1186, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend. Geopposeerde heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 7 juni 2004, waar opposant in persoon is verschenen. Geopposeerde heeft zich niet laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De uitspraak van de Raad van 2 maart 2004 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 87,-- niet binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 1 december 2003 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.

In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven. Hetgeen in het verzetschrift en ter zitting is aangevoerd bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. Daarbij merkt de Raad op dat uit door geopposeerde verstrekte informatie is gebleken dat 18 dagen voor het einde van de termijn door geopposeerde bijzondere bijstand aan opposant is betaald voor de kosten van het in hoger beroep verschuldigde griffierecht.

Volgens vaste rechtspraak komt vertraging in de betaling van het griffierecht per bank wegens ontoereikend saldo voor risico van de belanghebbende. Gelet op het vorenstaande moet het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, onder b, van de Awb ongegrond worden verklaard. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2004. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) L.

Jörg. FB/17/6