Legislator Case Law & Legislation
02/5079 AW ECLI:NL:CRVB:2004:AO7763 AI generated

02/5079 AW · Centrale Raad van Beroep

Case Number 02/5079 AW
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

02/5079 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 augustus 2002, nr. 01/74 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 6 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht; 02/5079 AW · Centrale Raad van Beroep: De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.G.J. Broekhuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2004. (get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers. (get.) E.G.J. Broekhuizen.

Keywords

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

02/5079 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 augustus 2002, nr. 01/74 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 6 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr.

B.S. Tibben, werkzaam bij de Belastingdienst. II. MOTIVERING 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Aan appellant, deurwaarder bij de Belastingdienst eenheid Ondernemingen te Emmen, is in 1997 vanwege gedaagde een mobiel telefoontoestel verstrekt met bijbehorende zogenoemde carkit. Toen appellant enkele jaren later een andere auto aanschafte is de carkit in die auto overgezet en zijn de kosten van die overzetting tot een bedrag van ruim f 400,- vergoed.

In het voorjaar van 2000 heeft appellant opnieuw een andere auto aangeschaft en de carkit daarin laten overzetten. 1.2. Bij besluit van 20 juli 2000 is namens gedaagde geweigerd de kosten van deze overzetting te vergoeden, om reden dat de verstrekte telefoon slechts uit veiligheidsoverwegingen ter beschikking is gesteld en het gebruik in een rijdende auto niet noodzakelijk is. Gedaagde heeft dit besluit na bezwaar bij het bestreden besluit van 22 november 2000 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat in oktober 1999 naar aanleiding van daaromtrent gerezen onduidelijkheid bekend is gemaakt dat het afgesproken beleid om geen carkits in te bouwen wordt gehandhaafd. Dit (aangescherpte) beleid is voorts besproken tijdens het werkoverleg van 2 november 1999, zodat appellant tevoren duidelijk was dan wel had kunnen zijn dat geen vergoeding meer zou plaatsvinden.

3. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank heeft gegeven over het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep in wezen geen andere grieven aangevoerd dan hij in eerste aanleg had gedaan. Nu de Raad de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot ongegrondverklaring van het beroep is gekomen, volledig onderschrijft, volstaat de Raad met te verwijzen naar die overwegingen.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.G.J. Broekhuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2004. (get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers. (get.) E.G.J. Broekhuizen.