Legislator Case Law & Legislation
99/3646 AW ECLI:NL:CRVB:2001:BJ7813 AI generated

99/3646 AW · Centrale Raad van Beroep

Case Number 99/3646 AW
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

99/3646 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], appellant, en de bestuurscommissie van de [school], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 27 mei 1999, nr. 97/1452 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 1 februari 2001. Partijen zijn, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht; 99/3646 AW · Centrale Raad van Beroep: MOTIVERING Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van in dit geding relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het navolgende. Bij het in dit geding bestreden besluit heeft gedaagde na door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd haar besluit van 25 juni 1997, waarbij aan appellant, werkzaam als directeur van de [school], op grond van artikel II-D3, tweede lid, aanhef en onder b, van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel disciplinair ontslag is verleend, wegens plichtsverzuim, bestaande in het plegen van vergaande ontuchtige handelingen als in dat besluit nader omschreven.

Keywords

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

99/3646 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], appellant, en de bestuurscommissie van de [school], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 27 mei 1999, nr. 97/1452 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 1 februari 2001. Partijen zijn, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen.

II. MOTIVERING Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van in dit geding relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het navolgende. Bij het in dit geding bestreden besluit heeft gedaagde na door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd haar besluit van 25 juni 1997, waarbij aan appellant, werkzaam als directeur van de [school], op grond van artikel II-D3, tweede lid, aanhef en onder b, van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel disciplinair ontslag is verleend, wegens plichtsverzuim, bestaande in het plegen van vergaande ontuchtige handelingen als in dat besluit nader omschreven.

De rechtbank heeft het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder vermelding dat op correcte wijze toepassing is gegeven aan de op het verlenen van disciplinair ontslag tevens betrekking hebbende voorschriften vervat in hoofdstuk II-C van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel, op grond van de stukken vastgesteld dat appellant zich bij herhaling heeft schuldig gemaakt aan het tijdens schooltijden op onzedelijke wijze betasten van meisjes uit de hoogste groepen van zijn school, waarbij appellant met name het oog heeft gehad op het meisje dat uiteindelijk aangifte heeft gedaan.

De Raad acht die feitenvaststelling juist en hij onderschrijft ook volledig de overwegingen die de rechtbank heeft gewijd aan de namens appellant in eerste aanleg naar voren gebrachte en in hoger beroep herhaalde grieven betrekking hebbend op de waarde die aan de door appellant ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen zou mogen worden toegekend. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van appellant als ernstig plichtsverzuim moeten worden aangemerkt en dat met betrekking daartoe slechts de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op zijn plaats is.

Hetgeen appellant overigens in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt, eveneens, slechts een herhaling van hetgeen hij in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad ziet geen enkele aanleiding om dienaangaande tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gegeven. Beslist wordt derhalve zoals in rubriek III vermeld. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. W. van den Brink als voorzitter en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Madunic als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2001. (get.) W. van den Brink. (get.) S.P. Madunic. HD