Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6713 ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6713 AI generated

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6713 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6713
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

96/382 AW O U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 30 november 1995 onder nr AWB 95/2831 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 9 januari 1997, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:1 van de Awb, artikel 1:3 van de Awb, artikel 8:75 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6713 · Centrale Raad van Beroep: De brief eindigt met de zinsnede: "Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben ingelicht". Bij besluit van 26 januari 1995 heeft gedaagde overeenkomstig het advies van de adviescommissie Interne Bezwaarschriftprocedure appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de brief van 5 augustus 1994. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar en overweegt daartoe het volgende. Artikel 8 van het BWOO bepaalt dat het uitvoeringsorgaan vaststelt of een recht op uitkering (ter zake van werkloosheid) bestaat, nadat daartoe een aanvraag is ingediend.

Keywords

AI generated
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:1 van de Awb artikel 1:3 van de Awb artikel 8:75 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:1 van de Awb
artikel 1:3 van de Awb
artikel 8:75 van de Awb
Gelet op het eerderoverwogene ziet de Raad geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

96/382 AW O U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 30 november 1995 onder nr AWB 95/2831 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 9 januari 1997, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M.

Smit, werkzaam bij gedaagdes ministerie. II. MOTIVERING Appellant heeft gedaagde bij brief van 18 juli 1994 verzocht om een schriftelijke verklaring, inhoudende dat zijn dienstverband bij het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en zijn dienstverband met de Koninklijke Bibliotheek een ononderbroken dienstverband zijn als bedoeld in artikel 36, derde lid, van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (BWOO). Namens gedaagde is bij brief van 5 augustus 1994 mededeling gedaan van zijn conclusie dat de tijd voor 1 juni 1990 niet kan meetellen voor een eventuele bovenwettelijke werkloosheidsuitkering op grond van het BWOO.

De brief eindigt met de zinsnede: "Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben ingelicht". Bij besluit van 26 januari 1995 heeft gedaagde overeenkomstig het advies van de adviescommissie Interne Bezwaarschriftprocedure appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de brief van 5 augustus 1994. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar en overweegt daartoe het volgende. Artikel 8 van het BWOO bepaalt dat het uitvoeringsorgaan vaststelt of een recht op uitkering (ter zake van werkloosheid) bestaat, nadat daartoe een aanvraag is ingediend.

De uitvoering van het BWOO is in artikel 1 van de Regeling aanwijzing van de uitvoeringsorganen in de zin van het BWOO voor universiteiten, academische ziekenhuizen en onderzoekinstellingen opgedragen aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Gedaagde heeft in antwoord op appellants brief van 18 juli 1994 mededeling gedaan van zijn interpretatie van het begrip ononderbroken dienstverband in de zin van artikel 36 van het BWOO, zulks met betrekking tot een mogelijke toekomstige toepassing van die regeling ten aanzien van appellant. De Raad ziet niet dat gedaagde met het geven van de informatie als hier aan de orde enig rechtsgevolg heeft beoogd of dat zulks enige rechtens relevante betekenis heeft voor de rechtspositie van appellant.

Er is geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen ingevolge het bepaalde in artikel 7:1 en 8:1 van die wet bezwaar en beroep kan worden ingesteld, en evenmin van een voor bezwaar en beroep vatbare andere handeling als bedoeld in het tweede lid van artikel 8:1 van de Awb. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad wil nog opmerken dat hij, anders dan de rechtbank, niet ziet dat de in artikel 2:3, eerste lid, van de Awb opgenomen verplichting voor het bestuursorgaan tot onverwijlde doorzending van geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, aan dat orgaan, zou zijn beperkt tot besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gelet op het eerderoverwogene ziet de Raad geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 1997. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) A.H. Beijer. HD 14.02