Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2026:308 ECLI:NL:CBB:2026:308 AI generated

ECLI:NL:CBB:2026:308 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2026:308
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 25/526 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 Voorzitter: mr. A. van Gijzen Griffier: R. Hosseinollahi Partijen [naam 1] , te [woonplaats] en de Kamer van Koophandel (KvK), vertegenwoordigd door mr. J.P.M. van der Ende Beslissing Het College: verklaart zich onbevoegd; draagt de griffier op om het griffierecht tot een bedrag van € 194,- aan [naam 1] terug te betalen. Overwegingen 1. [naam 1] heeft aan de KvK gevraagd om ambtshalve over te gaan tot ontbinding van [naam 2] , maar hij is daarbij als schuldeiser geen belanghebbende.

Legislator headnote

AI generated

artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1:3 van de Awb, artikel 8:1 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2026:308 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Zoals op de zitting is besproken, is artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek tot stand gekomen om misbruik van lege vennootschappen tegen te gaan en het handelsregister op te schonen. Dat zijn geen belangen die [naam 1] specifiek raken. De bepaling is niet opgenomen, zodat schuldeisers een verzoek tot ontbinding kunnen doen om via die weg vereffening af te dwingen en mogelijk alsnog betaald worden. 2 Sterker nog, de wetsgeschiedenis maakt er juist melding van dat schuldeisers niet de gelegenheid krijgen om op te komen tegen een voornemen tot ontbinding, omdat zij in de vereffeningsfase positie kunnen innemen.

Keywords

AI generated
artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek artikel 1:3 van de Awb artikel 8:1 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek
Zoals op de zitting is besproken, is artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek tot stand gekomen om misbruik van lege vennootschappen tegen te gaan en het handelsregister op te schonen.
artikel 1:3 van de Awb
Om die reden zijn de brieven van de KvK hierover geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld.
artikel 8:1 van de Awb
Om die reden zijn de brieven van de KvK hierover geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 25/526 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 Voorzitter: mr. A. van Gijzen Griffier: R. Hosseinollahi Partijen [naam 1] , te [woonplaats] en de Kamer van Koophandel (KvK), vertegenwoordigd door mr. J.P.M. van der Ende Beslissing Het College: verklaart zich onbevoegd; draagt de griffier op om het griffierecht tot een bedrag van € 194,- aan [naam 1] terug te betalen. Overwegingen 1. [naam 1] heeft aan de KvK gevraagd om ambtshalve over te gaan tot ontbinding van [naam 2] , maar hij is daarbij als schuldeiser geen belanghebbende.

Zoals op de zitting is besproken, is artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek tot stand gekomen om misbruik van lege vennootschappen tegen te gaan en het handelsregister op te schonen. Dat zijn geen belangen die [naam 1] specifiek raken. De bepaling is niet opgenomen, zodat schuldeisers een verzoek tot ontbinding kunnen doen om via die weg vereffening af te dwingen en mogelijk alsnog betaald worden. 2 Sterker nog, de wetsgeschiedenis maakt er juist melding van dat schuldeisers niet de gelegenheid krijgen om op te komen tegen een voornemen tot ontbinding, omdat zij in de vereffeningsfase positie kunnen innemen.

Dat betekent dat [naam 1] geen rechtstreeks belang heeft bij deze procedure. Hij is daarom geen belanghebbende die een verzoek heeft gedaan als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om die reden zijn de brieven van de KvK hierover geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld. 3 Dit leidt tot de conclusie dat het College niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. w.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi Kamerstukken II 1991/92, 22 482, nr. 3, blz. 6.